BWBR0011595
Geldig vanaf 2018-02-13
Artikel 2a.3
Regeling studiefinanciering 2000
1. Voor een ho-student die is ingeschreven voor het volgen van een onderwijseenheid als bedoeld in artikel 2.12, onderdeel d, van de wet, wordt onder de voorwaarden, genoemd in dit artikel, afgeweken van de maximale hoogte van het levenlanglerenkrediet per maand, genoemd in artikel 3.16d, aanhef en onder a, van de wet.
2. Bij de berekening van de hoogte van het levenlanglerenkrediet dat een ho-student per maand toegekend krijgt, is het aantal studiepunten van de onderwijseenheid waarvoor de ho-student het levenlanglerenkrediet aanvraagt bepalend.
3. Het aantal studiepunten behorende bij de onderwijseenheid waarvoor de ho-student het levenlanglerenkrediet aanvraagt, wordt gedeeld door vijf. Het getal dat daaruit komt wordt naar boven afgerond op een geheel getal en vormt het aantal maanden waarover het levenlanglerenkrediet voor de desbetreffende onderwijseenheid wordt uitbetaald.
4. De hoogte van het bedrag dat per maand wordt uitbetaald aan een ho-student wordt berekend door het aangevraagde bedrag aan levenlanglerenkrediet voor een onderwijseenheid te delen door het aantal maanden als berekend in het derde lid.
2. Bij de berekening van de hoogte van het levenlanglerenkrediet dat een ho-student per maand toegekend krijgt, is het aantal studiepunten van de onderwijseenheid waarvoor de ho-student het levenlanglerenkrediet aanvraagt bepalend.
3. Het aantal studiepunten behorende bij de onderwijseenheid waarvoor de ho-student het levenlanglerenkrediet aanvraagt, wordt gedeeld door vijf. Het getal dat daaruit komt wordt naar boven afgerond op een geheel getal en vormt het aantal maanden waarover het levenlanglerenkrediet voor de desbetreffende onderwijseenheid wordt uitbetaald.
4. De hoogte van het bedrag dat per maand wordt uitbetaald aan een ho-student wordt berekend door het aangevraagde bedrag aan levenlanglerenkrediet voor een onderwijseenheid te delen door het aantal maanden als berekend in het derde lid.