1. Indien uit een beschikking tot herziening als bedoeld in
artikel 7.1, tweede lid, van de wetblijkt dat te veel studiefinanciering is uitbetaald, wordt dit op de voet van het tweede en derde lid verrekend met nog te verrichten betalingen op grond van de wet.
2. Eerst wordt zoveel mogelijk verrekend met de nabetalingen die vanaf het tijdstip van afgifte van de in het eerste lid bedoelde beschikking aan de student zouden moeten worden gedaan.
3. Vervolgens wordt zolang het te veel uitbetaalde bedrag nog niet volledig is verrekend met de in het tweede lid bedoelde nabetalingen, verrekend met de maandbetalingen, bedoeld in
artikel 13, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000. Wanneer die maandbetalingen met ingang van 1 januari 2025 hoger zijn dan € 208,65, geschiedt de verrekening met dat bedrag.
4. Onder nabetalingen, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan de betaling van bedragen die op grond van enige herzieningsbeschikking over reeds op het tijdstip van afgifte van die beschikking verstreken maanden zonder de verrekening, bedoeld in het tweede lid, aan de student betaalbaar zouden worden gesteld.
5. Indien er niet langer betalingen op grond van de wet zijn, wordt de debiteur verzocht om het bedrag aan studiefinanciering dat te veel is uitbetaald voor zover dat bedrag nog niet is verrekend, binnen 30 dagen geheel terug te betalen.
6. Indien het bedrag, bedoeld in het vijfde lid, binnen 30 dagen niet geheel is terugbetaald, wordt het openstaande bedrag van rechtswege omgezet in een lening als bedoeld in
artikel 1.1 van de wetop de eerste dag van de maand na de laatst mogelijke verrekening, bedoeld in het eerste lid. Deze lening wordt rentedragend met ingang van het tijdstip van die omzetting.
Artikel 6.4, derde lid, van de wetis bij de berekening van de rente van overeenkomstige toepassing.