BWBR0011338
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 5
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
1. De concentratie van een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten in het oppervlaktewater worden berekend overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.
2. De toxiciteit voor vis, Daphnia en algen wordt bepaald overeenkomstig de richtlijnen, genoemd in het aanvraagformulier.
3. De bioconcentratiefactor van een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsprodukten worden bepaald volgens de berekeningsmethode voor de bioconcentratie water/vis op basis van de octanol/water verdelingscoëfficiënt, opgenomen in het UBS. Daarbij wordt de biologische afbreekbaarheid van werkzame stoffen bepaald volgens de richtlijn genoemd in het aanvraagformulier.
4. Overschrijding van het MTR van waterorganismen en daarvan afhankelijke organismen, vastgesteld met toepassing van het daaromtrent gestelde door het College, wordt aangemerkt als onaanvaardbaar direct of indirect effect voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien door een adequate risico-evaluatie met toepassing van Bijlage VIaanvullende gegevens worden verstrekt, die aanleiding geven tot het bijstellen van de berekende concentratie, bedoeld in het eerste lid, of tot het bijstellen van de effectconcentratie onder veldomstandigheden.
2. De toxiciteit voor vis, Daphnia en algen wordt bepaald overeenkomstig de richtlijnen, genoemd in het aanvraagformulier.
3. De bioconcentratiefactor van een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsprodukten worden bepaald volgens de berekeningsmethode voor de bioconcentratie water/vis op basis van de octanol/water verdelingscoëfficiënt, opgenomen in het UBS. Daarbij wordt de biologische afbreekbaarheid van werkzame stoffen bepaald volgens de richtlijn genoemd in het aanvraagformulier.
4. Overschrijding van het MTR van waterorganismen en daarvan afhankelijke organismen, vastgesteld met toepassing van het daaromtrent gestelde door het College, wordt aangemerkt als onaanvaardbaar direct of indirect effect voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen.
5. Het vierde lid is niet van toepassing indien door een adequate risico-evaluatie met toepassing van Bijlage VIaanvullende gegevens worden verstrekt, die aanleiding geven tot het bijstellen van de berekende concentratie, bedoeld in het eerste lid, of tot het bijstellen van de effectconcentratie onder veldomstandigheden.