BWBR0011338
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 2.1
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
Alleen relevante K om-waarden worden meegenomen:
1. 1. Kom-waarden, bepaald aan veengronden, sedimenten en voor Nederland niet relevante grondsoorten worden niet meegenomen. Verder dienen Kom-waarden aan bovengrondmateriaal bepaald te worden.
2. 2. Kom-waarden, bepaald voor formuleringen van de werkzame stof kunnen afwijken van die van het technisch product. Bij duidelijke afwijkingen worden ze niet meegenomen in de middeling van Kom-waarden van de werkzame stof.
3. 3. Gehalten mogen niet geanalyseerd zijn met behulp van biotoetsen; soms kan worden volstaan met alleen radioaktiviteitmetingen.
4. 4. Voor gronden met minder dan 0,5% organische stof wordt geen Kom voor de verdeling tussen waterfase en bodemfase berekend.
5. 5. Indien de betreffende stof in het voor de Nederlandse landbouwpraktijk relevante pH-traject geladen, dan wel een ladingsovergang kan ondergaan dan dienen de Kom-waarden bij hogere pH (7-8) te zijn bepaald.
6. 6. Kom-waarden kunnen alleen worden bepaald indien er een duidelijke correlatie tussen sorptie en organisch stofgehalte is.
7. 7. Voor bepaling van de Kom staan verschillende methoden ter beschikking. Voor elk van deze methoden zijn een aantal randvoorwaarden te geven (mate van omzetting, nauwkeurigheid, e.d.). Deze worden in de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 gegeven.
1. 1. Kom-waarden, bepaald aan veengronden, sedimenten en voor Nederland niet relevante grondsoorten worden niet meegenomen. Verder dienen Kom-waarden aan bovengrondmateriaal bepaald te worden.
2. 2. Kom-waarden, bepaald voor formuleringen van de werkzame stof kunnen afwijken van die van het technisch product. Bij duidelijke afwijkingen worden ze niet meegenomen in de middeling van Kom-waarden van de werkzame stof.
3. 3. Gehalten mogen niet geanalyseerd zijn met behulp van biotoetsen; soms kan worden volstaan met alleen radioaktiviteitmetingen.
4. 4. Voor gronden met minder dan 0,5% organische stof wordt geen Kom voor de verdeling tussen waterfase en bodemfase berekend.
5. 5. Indien de betreffende stof in het voor de Nederlandse landbouwpraktijk relevante pH-traject geladen, dan wel een ladingsovergang kan ondergaan dan dienen de Kom-waarden bij hogere pH (7-8) te zijn bepaald.
6. 6. Kom-waarden kunnen alleen worden bepaald indien er een duidelijke correlatie tussen sorptie en organisch stofgehalte is.
7. 7. Voor bepaling van de Kom staan verschillende methoden ter beschikking. Voor elk van deze methoden zijn een aantal randvoorwaarden te geven (mate van omzetting, nauwkeurigheid, e.d.). Deze worden in de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 gegeven.