BWBR0011338
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 2
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
1. Als stoffen met een geringe schadelijkheid voor de kwaliteit van bodem, daaronder begrepen grondwater, water of lucht worden aangemerkt:
a. alle organische stoffen, die uit een gewasbeschermingsmiddel zijn ontstaan, met een alifatische structuur, niet zijnde aldehyden of epoxiden, met een ketenlengte niet langer dan 4 en waarvan de samenstellende atomen slechts C, H, N of O zijn;
b. andere stoffen, waarvan de geringe schadelijkheid door de aanvrager van de toelating wordt aangetoond door gegevens uit internationaal of nationaal aanvaarde experimenten en berekeningswijzen, dan wel alreeds is aangetoond door middel van gegevens die zijn aanvaard in het kader van vergelijkbare beoordelingsprocedures voor stoffen en preparaten bij de toepassing van daarop betrekking hebbende wettelijke maatregelen.
2. Aan de voorwaarde dat een omzettingsproduct van een gewasbeschermingsmiddel niet ontstaat in een hoeveelheid van 10% of meer van de gebruikte hoeveelheid van het gewasbeschermingsmiddel, is voldaan indien niet op enig tijdstip in een aëroob omzettingsexperiment met de werkzame stof, uitgevoerd volgens de standaardrichtlijn gegeven in het aanvraagformulier, in het onderdeel betreffende bodem of in het onderdeel betreffende oppervlaktewater, het omzettingsproduct ontstaat in een stoffractie van 10% of meer.
3. Aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, is voorts voldaan, indien de dosering van het gewasbeschermingsmiddel lager is dan 5 gram werkzame stof per hectare per jaar.
4. De concentratie van het omzettingsproduct wordt bepaald aan de hand van de kolomstudie verouderd residu, uitgevoerd volgens de richtlijnen gegeven in het aanvraagformulier, met toepassing van Bijlage I.
5. Het ontstaan van een concentratie van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten wordt beoordeeld door expert judgement op basis van structuurgegevens van de werkzame stof en het omzettingsproduct en van aanwijzingen uit andere onderzoeksgegevens betreffende de werkzame stof of zijn omzettingsproducten, zoals humane toxiciteitsgegevens.
a. alle organische stoffen, die uit een gewasbeschermingsmiddel zijn ontstaan, met een alifatische structuur, niet zijnde aldehyden of epoxiden, met een ketenlengte niet langer dan 4 en waarvan de samenstellende atomen slechts C, H, N of O zijn;
b. andere stoffen, waarvan de geringe schadelijkheid door de aanvrager van de toelating wordt aangetoond door gegevens uit internationaal of nationaal aanvaarde experimenten en berekeningswijzen, dan wel alreeds is aangetoond door middel van gegevens die zijn aanvaard in het kader van vergelijkbare beoordelingsprocedures voor stoffen en preparaten bij de toepassing van daarop betrekking hebbende wettelijke maatregelen.
2. Aan de voorwaarde dat een omzettingsproduct van een gewasbeschermingsmiddel niet ontstaat in een hoeveelheid van 10% of meer van de gebruikte hoeveelheid van het gewasbeschermingsmiddel, is voldaan indien niet op enig tijdstip in een aëroob omzettingsexperiment met de werkzame stof, uitgevoerd volgens de standaardrichtlijn gegeven in het aanvraagformulier, in het onderdeel betreffende bodem of in het onderdeel betreffende oppervlaktewater, het omzettingsproduct ontstaat in een stoffractie van 10% of meer.
3. Aan de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, is voorts voldaan, indien de dosering van het gewasbeschermingsmiddel lager is dan 5 gram werkzame stof per hectare per jaar.
4. De concentratie van het omzettingsproduct wordt bepaald aan de hand van de kolomstudie verouderd residu, uitgevoerd volgens de richtlijnen gegeven in het aanvraagformulier, met toepassing van Bijlage I.
5. Het ontstaan van een concentratie van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten wordt beoordeeld door expert judgement op basis van structuurgegevens van de werkzame stof en het omzettingsproduct en van aanwijzingen uit andere onderzoeksgegevens betreffende de werkzame stof of zijn omzettingsproducten, zoals humane toxiciteitsgegevens.