BWBR0011338
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 3
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000
1. De DT50 van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingssnelheid, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Als DT50 wordt beschouwd de gemiddelde waarde van de naar standaardomstandigheden omgerekende uitkomsten van geschikt bevonden onderzoek; het beoordelen van de geschiktheid van het onderzoek geschiedt met toepassing van Bijlage I. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies een DT50 van 90 dagen of meer wordt vastgesteld, kan, met toepassing van Bijlage II, alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat de DT50 minder dan 90 dagen bedraagt.
2. Het percentage van het grondgebonden residu alsmede de mineralisatiesnelheid van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingsroute, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Bij de experimenten wordt Bijlage Itoegepast.
a. Het percentage grondgebonden residu is dat percentage dat gemeten of geïntrapoleerd is na 100 dagen incubatie of het percentage aan het eind van de studie in die gevallen waarbij ten minste 90% van de onderzochte stof is omgezet binnen 100 dagen.
b. De mineralisatiesnelheid wordt vastgesteld aan de hand van de hoeveelheid gelabeld CO2 gemeten na 100 dagen of aan het eind van het experiment bij een kortere incubatieduur. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies blijkt dat het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsproducten bij laboratoriumproeven geen grondgebonden residuen vormen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en geen mineralisatiesnelheid hebben lager dan 5% binnen 100 dagen, kan alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat aan deze voorwaarden is voldaan.
3. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk zijn omzettingsproducten in de bodem ontstaan, twee jaar na de laatste toepassing binnen het perceel, worden berekend met toepassing van Bijlage II.
4. Het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.
5. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten ontstaan, bedoeld in het derde lid, binnen het perceel in de bovenste 20 cm van de bodem is binnen twee jaar na de laatste toepassing kleiner dan het MTR, bedoeld in het vierde lid.
6. Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:
a. de DT50 gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, of
b. de DT50 tussen 90 en 180 dagen ligt en niet is voldaan aan het vijfde lid.
7. Het zesde lid, onder a, geldt niet indien het toepassingsgebied of de aard van de toepassing er toe zullen leiden dat de stof in geringe mate in de bodem komt en derhalve niet accumuleert.
8. Indien aan het vijfde lid is voldaan, is voldaan aan het vereiste dat de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten.
2. Het percentage van het grondgebonden residu alsmede de mineralisatiesnelheid van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingsroute, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Bij de experimenten wordt Bijlage Itoegepast.
a. Het percentage grondgebonden residu is dat percentage dat gemeten of geïntrapoleerd is na 100 dagen incubatie of het percentage aan het eind van de studie in die gevallen waarbij ten minste 90% van de onderzochte stof is omgezet binnen 100 dagen.
b. De mineralisatiesnelheid wordt vastgesteld aan de hand van de hoeveelheid gelabeld CO2 gemeten na 100 dagen of aan het eind van het experiment bij een kortere incubatieduur. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies blijkt dat het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsproducten bij laboratoriumproeven geen grondgebonden residuen vormen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en geen mineralisatiesnelheid hebben lager dan 5% binnen 100 dagen, kan alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat aan deze voorwaarden is voldaan.
3. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk zijn omzettingsproducten in de bodem ontstaan, twee jaar na de laatste toepassing binnen het perceel, worden berekend met toepassing van Bijlage II.
4. Het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.
5. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten ontstaan, bedoeld in het derde lid, binnen het perceel in de bovenste 20 cm van de bodem is binnen twee jaar na de laatste toepassing kleiner dan het MTR, bedoeld in het vierde lid.
6. Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:
a. de DT50 gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, of
b. de DT50 tussen 90 en 180 dagen ligt en niet is voldaan aan het vijfde lid.
7. Het zesde lid, onder a, geldt niet indien het toepassingsgebied of de aard van de toepassing er toe zullen leiden dat de stof in geringe mate in de bodem komt en derhalve niet accumuleert.
8. Indien aan het vijfde lid is voldaan, is voldaan aan het vereiste dat de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten.