BWBR0011333
Geldig vanaf 2000-09-01
Artikel 4
Sociaal beleidskader reorganisaties zittende magistratuur
1. De rechterlijk ambtenaar die in het kader van een reorganisatie wordt verplaatst en aan wie in verband daarmee de verplichting, bedoeld in artikel 40 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt opgelegd, onderscheidenlijk de rechterlijk ambtenaar voor wie de wijziging van de standplaats tot gevolg heeft dat zijn nieuwe standplaats is gelegen op een afstand van vijftig kilometer of meer ten opzichte van zijn oorspronkelijke standplaats dan wel woonplaats en die binnen twee jaar na die wijziging van de standplaats in het kader van een reorganisatie vrijwillig verhuist, heeft in verband met die verhuizing aanspraak op:
a. een tegemoetkoming, overeenkomstig artikel 49n van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. een verhuiskostenvergoeding, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 8 van het Verplaatsingskostenbesluit 1989;
c. een tegemoetkoming in de reiskosten die tot het moment van de verhuizing in verband met het op werkdagen reizen tussen de woonplaats en de nieuwe standplaats worden gemaakt; en
d. een tegemoetkoming in de pensionkosten die tot het moment van de verhuizing worden gemaakt, voorzover deze kosten worden gemaakt omdat het op werkdagen heen en weer reizen tussen de woonplaats en de nieuwe standplaats naar het oordeel van de functionele autoriteit in redelijkheid niet van de rechterlijk ambtenaar kan worden gevergd.
2. De vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegekend voor ten hoogste twee jaar.
3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is gelijk aan de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van dit besluit. Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van de Verplaatsingskostenregeling 1989. De pensionkosten, waarvan het redelijk wordt geoordeeld dat de betaalde pensionkosten daarboven niet uitgaan, bedragen € 500 per maand.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die niet zijn aangewezen om tijdelijk een gedeeltelijke of volledige taak te vervullen. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing op de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die zijn aangewezen om tijdelijk een gedeeltelijke of volledige taak te vervullen.
a. een tegemoetkoming, overeenkomstig artikel 49n van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. een verhuiskostenvergoeding, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 8 van het Verplaatsingskostenbesluit 1989;
c. een tegemoetkoming in de reiskosten die tot het moment van de verhuizing in verband met het op werkdagen reizen tussen de woonplaats en de nieuwe standplaats worden gemaakt; en
d. een tegemoetkoming in de pensionkosten die tot het moment van de verhuizing worden gemaakt, voorzover deze kosten worden gemaakt omdat het op werkdagen heen en weer reizen tussen de woonplaats en de nieuwe standplaats naar het oordeel van de functionele autoriteit in redelijkheid niet van de rechterlijk ambtenaar kan worden gevergd.
2. De vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden toegekend voor ten hoogste twee jaar.
3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is gelijk aan de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van dit besluit. Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van de Verplaatsingskostenregeling 1989. De pensionkosten, waarvan het redelijk wordt geoordeeld dat de betaalde pensionkosten daarboven niet uitgaan, bedragen € 500 per maand.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die niet zijn aangewezen om tijdelijk een gedeeltelijke of volledige taak te vervullen. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing op de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die zijn aangewezen om tijdelijk een gedeeltelijke of volledige taak te vervullen.