BWBR0011333
Geldig vanaf 2000-09-01
Artikel 2
Sociaal beleidskader reorganisaties zittende magistratuur
1. Aan de rechterlijk ambtenaar, van wie in het kader van een reorganisatie het oorspronkelijke ambt wordt opgeheven dan wel van wiens oorspronkelijke ambt de taakinhoud in het kader van een reorganisatie een wezenlijke verandering ondergaat en die niet met ingang van de datum van die opheffing of wezenlijke verandering in een passend ambt is benoemd of geplaatst, wordt binnen een termijn van achttien maanden na die opheffing onderscheidenlijk wezenlijke verandering ten minste eenmaal een passend ambt aangeboden.
2. De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht, is verplicht mee te werken aan het vinden van een passend ambt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die niet zijn aangewezen om tijdelijk een gedeeltelijke of volledige taak te vervullen.
2. De rechterlijk ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht, is verplicht mee te werken aan het vinden van een passend ambt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, die niet zijn aangewezen om tijdelijk een gedeeltelijke of volledige taak te vervullen.