BWBR0011152
Geldig vanaf 2003-08-14
Artikel 13
Besluit invoer producten van dierlijke oorsprong uit derde landen
Het is verboden vlees uit derde landen op Nederlands grondgebied te brengen, anders dan als doorvoer naar een derde land, indien het betreft:
a. vlees van: 1°. dieren waarbij tijdens de keuring voor of na het slachten een van de volgende ziekten is vastgesteld: – Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
– Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
2°. dieren die acute laesies vertoonden van bronchopneumonie, pleuritis, peritonitis, metritis, mastitis, artritis, pericarditis, enteritis of meningoencephalomyelitis, bevestigd door een gedetailleerde keuring, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek en een onderzoek op residuen van stoffen met farmacologische werking. Wanneer de resultaten van deze bijzondere onderzoeken gunstig zijn, worden de karkassen evenwel geschikt voor menselijke verklaard na verwijdering van de voor consumptie ongeschikte delen,
3°. dieren die leden aan de volgende parasitaire ziekten: gegeneraliseerde sarcosporidiose en gegeneraliseerde cysticercose en trichinose,
4°. gestorven dieren, doodgeboren dieren of ongeboren dode vruchten,
5°. te jong geslachte dieren waarvan het vlees oedeemverschijnselen vertoont,
6°. sterk vermagerde dieren of dieren met uitgesproken anemie,
7°. dieren die multiple tumoren, multiple abcessen of multiple ernstige verwondingen in verschillende delen van het karkas of in verschillende ingewanden vertoonden;
1°. dieren waarbij tijdens de keuring voor of na het slachten een van de volgende ziekten is vastgesteld: – Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
– Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
2°. dieren die acute laesies vertoonden van bronchopneumonie, pleuritis, peritonitis, metritis, mastitis, artritis, pericarditis, enteritis of meningoencephalomyelitis, bevestigd door een gedetailleerde keuring, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek en een onderzoek op residuen van stoffen met farmacologische werking. Wanneer de resultaten van deze bijzondere onderzoeken gunstig zijn, worden de karkassen evenwel geschikt voor menselijke verklaard na verwijdering van de voor consumptie ongeschikte delen,
3°. dieren die leden aan de volgende parasitaire ziekten: gegeneraliseerde sarcosporidiose en gegeneraliseerde cysticercose en trichinose,
4°. gestorven dieren, doodgeboren dieren of ongeboren dode vruchten,
5°. te jong geslachte dieren waarvan het vlees oedeemverschijnselen vertoont,
6°. sterk vermagerde dieren of dieren met uitgesproken anemie,
7°. dieren die multiple tumoren, multiple abcessen of multiple ernstige verwondingen in verschillende delen van het karkas of in verschillende ingewanden vertoonden;
b. vlees van: 1°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op tuberculine waarbij bij de keuring na het slachten verricht onderzoek plaatselijke tuberculoselaesies heeft aangetoond in meerdere organen of meerdere delen van het karkas, met uitzondering van vlees van dieren waarbij een tuberculoselaesie is geconstateerd in de klieren van een zelfde orgaan of deel van een karkas, waarna enkel het aangetaste orgaan of deel van het karkas en de bijbehorende lymfeklieren ongeschikt wordt verklaard voor menselijke consumptie,
2°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op een brucellose-test waarbij de ziekte is bevestigd door laesies die wijzen op een acute aandoening;
1°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op tuberculine waarbij bij de keuring na het slachten verricht onderzoek plaatselijke tuberculoselaesies heeft aangetoond in meerdere organen of meerdere delen van het karkas, met uitzondering van vlees van dieren waarbij een tuberculoselaesie is geconstateerd in de klieren van een zelfde orgaan of deel van een karkas, waarna enkel het aangetaste orgaan of deel van het karkas en de bijbehorende lymfeklieren ongeschikt wordt verklaard voor menselijke consumptie,
2°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op een brucellose-test waarbij de ziekte is bevestigd door laesies die wijzen op een acute aandoening;
c. delen van karkassen die ernstige serum- of bloedinfiltraties, gelokaliseerde abcessen of gelokaliseerde verontreinigingen vertonen;
d. slachtafvallen en ingewanden die pathologische laesies van infectieuze, parasitaire of traumatische oorsprong vertonen; vlees van koortsige dieren;
e. vlees dat ernstige afwijkingen vertoont inzake kleur, geur, consistentie en smaak;
f. wanneer de keuringsdierenarts constateert dat karkassen of slachtafvallen aangetast zijn door lymfadenitis caseosus of een andere etterige aandoening die echter niet gegeneraliseerd is noch gepaard gaat met sterke vermagering: 1°. alle organen en daarmee verbonden lymfeklieren die deze aandoening in- of uitwendig vertonen, en
2°. in alle gevallen waarop onderdeel 1 niet van toepassing is, de laesie en de aangrenzende delen, die hij, te zijner beoordeling, ongeschikt acht, de ouderdom en de activiteit van de laesie in aanmerking genomen, met dien verstande dat een oude goed ingekapselde laesie als inactief mag worden beschouwd;
1°. alle organen en daarmee verbonden lymfeklieren die deze aandoening in- of uitwendig vertonen, en
2°. in alle gevallen waarop onderdeel 1 niet van toepassing is, de laesie en de aangrenzende delen, die hij, te zijner beoordeling, ongeschikt acht, de ouderdom en de activiteit van de laesie in aanmerking genomen, met dien verstande dat een oude goed ingekapselde laesie als inactief mag worden beschouwd;
h. vlees van de weggesneden steekplaats;
i. wanneer de keuringsdierenarts constateert dat hele karkassen of delen van karkassen dan wel slachtafvallen aangetast zijn door een andere ziekte of aandoening dan die vermeld in het voorgaande punten, het gehele karkas en de slachtafvallen of het deel van het karkas of het slachtafval waarvan hij denkt dat het ongeschikt voor menselijke consumptie moet worden verklaard;
j. karkassen waarvan de slachtafvallen niet aan de keuring na het slachten zijn onderworpen;
k. bloed;
l. vlees van dieren waaraan de volgende stoffen zijn toegediend: 1°. door Onze Minister aangewezen producten waardoor het vlees gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid van de mens kan zijn, en
2°. malsmakers (tenderizers);
1°. door Onze Minister aangewezen producten waardoor het vlees gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid van de mens kan zijn, en
2°. malsmakers (tenderizers);
m. vlees dat residuen bevat van door Onze Minister aangewezen stoffen en residuen van geneesmiddelen, van antibiotica, van bestrijdingsmiddelen of van andere stoffen die schadelijk zijn of er eventueel toe kunnen leiden dat de consumptie van vers vlees gevaarlijk of schadelijk is voor de gezondheid van de mens, in hoeveelheden die de door de Onze Minister vastgestelde toleranties overschrijden;
n. vlees dat besmet of aangetast is in een door Onze Minister vastgestelde mate;
o. levers en nieren van dieren van meer dan twee jaar oud afkomstig uit gebieden waarin men bij de uitvoering van overeenkomstig richtlijn nr. 96/23/EG goedgekeurde plannen een algemene aanwezigheid van zware metalen in het milieu heeft kunnen constateren;
p. vlees dat behandeld is met ioniserende of ultraviolette stralen, onverminderd eventuele communautaire voorschriften inzake doorstraling;
q. vlees dat een uitgesproken seksuele geur verspreidt;
r. vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood;
s. vlees afkomstig van op grond van artikel 4 van richtlijn nr. 64/433/EEG door de bevoegde autoriteit van een lidstaat erkende inrichtingen;
t. vlees van vrij wild, dat door Onze Minister aan te wijzen stoffen heeft opgenomen, waardoor de consumptie van het vlees gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid van de mens kan zijn; vlees van vrij wild waarbij de dood aan andere oorzaken is te wijten dan de jacht;
u. slachtafvallen van vrij wild;
v. vlees dat met andere kleurstoffen is gemerkt dan door onze minister voorgeschreven;
w. vlees, niet zijnde vlees van gehouden wild of vrij wild, van mannelijke varkens en cryptorchiede varkens;
x. vlees en slachtafvallen van dieren die niet op gegeneraliseerde wijze zijn aangetast door Cysticercus bovis of Cysticercus cellulosae, tenzij zij een koudebehandeling hebben ondergaan, overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde methode;
y. vlees van varkens of paarden, dat niet overeenkomstig het bepaalde in richtlijn nr. 77/96/EEG op trichinen is onderzocht, tenzij het een koudebehandeling heeft ondergaan overeenkomstig bijlage IV van die richtlijn;
aa. vlees van everzwijnen of van andere voor besmetting met trichinen vatbare soorten gekweekt wild of vrij wild, dat niet op trichinen is onderzocht met behulp van een digestiemethode overeenkomstig richtlijn nr. 77/96/EEG;
ab. separatorvlees;
ac. delen van organen, met uitzondering van in plakken gesneden levers van als huisdier gehouden runderen als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 1;
ad. koppen van runderen, alsmede delen van spieren en andere weefsels van de kop, met uitzondering van de tong;
ae. uiers, het genitaal apparaat en het bloed van dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op een brucellose-test, waarbij de ziekte niet is bevestigd door laesies die wijzen op een acute aandoening.
a. vlees van: 1°. dieren waarbij tijdens de keuring voor of na het slachten een van de volgende ziekten is vastgesteld: – Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
– Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
2°. dieren die acute laesies vertoonden van bronchopneumonie, pleuritis, peritonitis, metritis, mastitis, artritis, pericarditis, enteritis of meningoencephalomyelitis, bevestigd door een gedetailleerde keuring, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek en een onderzoek op residuen van stoffen met farmacologische werking. Wanneer de resultaten van deze bijzondere onderzoeken gunstig zijn, worden de karkassen evenwel geschikt voor menselijke verklaard na verwijdering van de voor consumptie ongeschikte delen,
3°. dieren die leden aan de volgende parasitaire ziekten: gegeneraliseerde sarcosporidiose en gegeneraliseerde cysticercose en trichinose,
4°. gestorven dieren, doodgeboren dieren of ongeboren dode vruchten,
5°. te jong geslachte dieren waarvan het vlees oedeemverschijnselen vertoont,
6°. sterk vermagerde dieren of dieren met uitgesproken anemie,
7°. dieren die multiple tumoren, multiple abcessen of multiple ernstige verwondingen in verschillende delen van het karkas of in verschillende ingewanden vertoonden;
1°. dieren waarbij tijdens de keuring voor of na het slachten een van de volgende ziekten is vastgesteld: – Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
– Mond- en klauwzeer (MKZ),
– Klassieke varkenspest (KVP),
– Afrikaanse varkenspest (AVP),
– Vesiculaire varkensziekte (VVZ),
– Newcastle Disease (ND),
– Runderpest,
– Ziekte van kleine herkauwers («Peste des petits rum-inants»),
– Vesiculaire stomatitis (VS),
– Bluetongue,
– Paardenpest,
– Virale paardenpest-encefalomyelitis,
– Teschener-ziekte,
– Vogelpest,
– Schapen- en geitenpokken,
– Nodulaire dermatose,
– Rifvalleykoorts,
– Besmettelijke bovine pleuropneumonie,
– gegeneraliseerde actinobacillose of gegeneraliseerde acti-nomy-cose,
– miltvuur en boutvuur,
– gegeneraliseerde tuberculose,
– gegeneraliseerde lymfadenitis,
– kwade droes,
– hondsdolheid,
– tetanus,
– acute salmonellose,
– acute brucellose,
– vlekziekte,
– botulisme,
– septicemie, pyaemie, toxemie en viremie,
– bovine spongiforme encephalopathie,
2°. dieren die acute laesies vertoonden van bronchopneumonie, pleuritis, peritonitis, metritis, mastitis, artritis, pericarditis, enteritis of meningoencephalomyelitis, bevestigd door een gedetailleerde keuring, eventueel aangevuld met een bacteriologisch onderzoek en een onderzoek op residuen van stoffen met farmacologische werking. Wanneer de resultaten van deze bijzondere onderzoeken gunstig zijn, worden de karkassen evenwel geschikt voor menselijke verklaard na verwijdering van de voor consumptie ongeschikte delen,
3°. dieren die leden aan de volgende parasitaire ziekten: gegeneraliseerde sarcosporidiose en gegeneraliseerde cysticercose en trichinose,
4°. gestorven dieren, doodgeboren dieren of ongeboren dode vruchten,
5°. te jong geslachte dieren waarvan het vlees oedeemverschijnselen vertoont,
6°. sterk vermagerde dieren of dieren met uitgesproken anemie,
7°. dieren die multiple tumoren, multiple abcessen of multiple ernstige verwondingen in verschillende delen van het karkas of in verschillende ingewanden vertoonden;
b. vlees van: 1°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op tuberculine waarbij bij de keuring na het slachten verricht onderzoek plaatselijke tuberculoselaesies heeft aangetoond in meerdere organen of meerdere delen van het karkas, met uitzondering van vlees van dieren waarbij een tuberculoselaesie is geconstateerd in de klieren van een zelfde orgaan of deel van een karkas, waarna enkel het aangetaste orgaan of deel van het karkas en de bijbehorende lymfeklieren ongeschikt wordt verklaard voor menselijke consumptie,
2°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op een brucellose-test waarbij de ziekte is bevestigd door laesies die wijzen op een acute aandoening;
1°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op tuberculine waarbij bij de keuring na het slachten verricht onderzoek plaatselijke tuberculoselaesies heeft aangetoond in meerdere organen of meerdere delen van het karkas, met uitzondering van vlees van dieren waarbij een tuberculoselaesie is geconstateerd in de klieren van een zelfde orgaan of deel van een karkas, waarna enkel het aangetaste orgaan of deel van het karkas en de bijbehorende lymfeklieren ongeschikt wordt verklaard voor menselijke consumptie,
2°. dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op een brucellose-test waarbij de ziekte is bevestigd door laesies die wijzen op een acute aandoening;
c. delen van karkassen die ernstige serum- of bloedinfiltraties, gelokaliseerde abcessen of gelokaliseerde verontreinigingen vertonen;
d. slachtafvallen en ingewanden die pathologische laesies van infectieuze, parasitaire of traumatische oorsprong vertonen; vlees van koortsige dieren;
e. vlees dat ernstige afwijkingen vertoont inzake kleur, geur, consistentie en smaak;
f. wanneer de keuringsdierenarts constateert dat karkassen of slachtafvallen aangetast zijn door lymfadenitis caseosus of een andere etterige aandoening die echter niet gegeneraliseerd is noch gepaard gaat met sterke vermagering: 1°. alle organen en daarmee verbonden lymfeklieren die deze aandoening in- of uitwendig vertonen, en
2°. in alle gevallen waarop onderdeel 1 niet van toepassing is, de laesie en de aangrenzende delen, die hij, te zijner beoordeling, ongeschikt acht, de ouderdom en de activiteit van de laesie in aanmerking genomen, met dien verstande dat een oude goed ingekapselde laesie als inactief mag worden beschouwd;
1°. alle organen en daarmee verbonden lymfeklieren die deze aandoening in- of uitwendig vertonen, en
2°. in alle gevallen waarop onderdeel 1 niet van toepassing is, de laesie en de aangrenzende delen, die hij, te zijner beoordeling, ongeschikt acht, de ouderdom en de activiteit van de laesie in aanmerking genomen, met dien verstande dat een oude goed ingekapselde laesie als inactief mag worden beschouwd;
h. vlees van de weggesneden steekplaats;
i. wanneer de keuringsdierenarts constateert dat hele karkassen of delen van karkassen dan wel slachtafvallen aangetast zijn door een andere ziekte of aandoening dan die vermeld in het voorgaande punten, het gehele karkas en de slachtafvallen of het deel van het karkas of het slachtafval waarvan hij denkt dat het ongeschikt voor menselijke consumptie moet worden verklaard;
j. karkassen waarvan de slachtafvallen niet aan de keuring na het slachten zijn onderworpen;
k. bloed;
l. vlees van dieren waaraan de volgende stoffen zijn toegediend: 1°. door Onze Minister aangewezen producten waardoor het vlees gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid van de mens kan zijn, en
2°. malsmakers (tenderizers);
1°. door Onze Minister aangewezen producten waardoor het vlees gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid van de mens kan zijn, en
2°. malsmakers (tenderizers);
m. vlees dat residuen bevat van door Onze Minister aangewezen stoffen en residuen van geneesmiddelen, van antibiotica, van bestrijdingsmiddelen of van andere stoffen die schadelijk zijn of er eventueel toe kunnen leiden dat de consumptie van vers vlees gevaarlijk of schadelijk is voor de gezondheid van de mens, in hoeveelheden die de door de Onze Minister vastgestelde toleranties overschrijden;
n. vlees dat besmet of aangetast is in een door Onze Minister vastgestelde mate;
o. levers en nieren van dieren van meer dan twee jaar oud afkomstig uit gebieden waarin men bij de uitvoering van overeenkomstig richtlijn nr. 96/23/EG goedgekeurde plannen een algemene aanwezigheid van zware metalen in het milieu heeft kunnen constateren;
p. vlees dat behandeld is met ioniserende of ultraviolette stralen, onverminderd eventuele communautaire voorschriften inzake doorstraling;
q. vlees dat een uitgesproken seksuele geur verspreidt;
r. vlees van dieren die bij een speciale noodslachting zijn gedood;
s. vlees afkomstig van op grond van artikel 4 van richtlijn nr. 64/433/EEG door de bevoegde autoriteit van een lidstaat erkende inrichtingen;
t. vlees van vrij wild, dat door Onze Minister aan te wijzen stoffen heeft opgenomen, waardoor de consumptie van het vlees gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid van de mens kan zijn; vlees van vrij wild waarbij de dood aan andere oorzaken is te wijten dan de jacht;
u. slachtafvallen van vrij wild;
v. vlees dat met andere kleurstoffen is gemerkt dan door onze minister voorgeschreven;
w. vlees, niet zijnde vlees van gehouden wild of vrij wild, van mannelijke varkens en cryptorchiede varkens;
x. vlees en slachtafvallen van dieren die niet op gegeneraliseerde wijze zijn aangetast door Cysticercus bovis of Cysticercus cellulosae, tenzij zij een koudebehandeling hebben ondergaan, overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde methode;
y. vlees van varkens of paarden, dat niet overeenkomstig het bepaalde in richtlijn nr. 77/96/EEG op trichinen is onderzocht, tenzij het een koudebehandeling heeft ondergaan overeenkomstig bijlage IV van die richtlijn;
aa. vlees van everzwijnen of van andere voor besmetting met trichinen vatbare soorten gekweekt wild of vrij wild, dat niet op trichinen is onderzocht met behulp van een digestiemethode overeenkomstig richtlijn nr. 77/96/EEG;
ab. separatorvlees;
ac. delen van organen, met uitzondering van in plakken gesneden levers van als huisdier gehouden runderen als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 1;
ad. koppen van runderen, alsmede delen van spieren en andere weefsels van de kop, met uitzondering van de tong;
ae. uiers, het genitaal apparaat en het bloed van dieren die positief of onduidelijk hebben gereageerd op een brucellose-test, waarbij de ziekte niet is bevestigd door laesies die wijzen op een acute aandoening.