1. In afwijking van
artikel 2, eerste lid, van de wetmogen dierenartsen, indien het niet toepassen van diergeneesmiddelen ondraaglijk lijden voor het betrokken dier met zich brengt en voor de toepassing geen diergeneesmiddelen beschikbaar zijn de volgende middelen bij een dier of een klein aantal dieren toepassen:
a. geregistreerde diergeneesmiddelen voor andere diersoorten of indicaties dan in de registratiebeschikking van het middel vermeld;
b. geneesmiddelen die ingevolge de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn toegelaten, voor zover geen middelen als bedoeld in onderdeel a beschikbaar zijn, of
c. magistraal bereide diergeneesmiddelen, voor zover geen middelen, als bedoeld in onderdelen a en b beschikbaar zijn.
2. Vervallen.
3. Het is verboden ingevolge het eerste lid middelen toe te passen bij voedselproducerende dieren tenzij de werkzame stof of stoffen van het middel voorkomen in voor voedsel-producerende dieren geregistreerde diergeneesmiddelen of met betrekking tot de werkzame stof of stoffen op grond van verordening (EEG) nr. 2377/90een MRL is vastgesteld of op grond van die verordening is vastgesteld dat een MRL niet nodig is.
4. Voor dieren en producten van dieren waarbij middelen, als bedoeld in het eerste lid, zijn toegepast, geldt een wachttermijn van:
a. 28 dagen voor zover het vlees van pluimvee en zoogdieren, met inbegrip van vet en afval, betreft;
b. 7 dagen voor zover het melk en eieren betreft;
c. 500 graaddagen voor zover het visvlees betreft, tenzij door de dierenarts op grond van diergeneeskundige inzichten een langere wachttermijn noodzakelijk wordt geacht teneinde te garanderen dat de van de behandelende dieren afkomstige producten geen residuen bevatten die gevaarlijk zijn voor de consument.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op middelen die niet bij een dier van de betrokken diersoort mogen worden toegepast ingevolge het
Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet