BWBR0010809
Geldig vanaf 2004-12-15
Artikel 6
Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999
1. Onverminderd artikel 3, eerste lid, van de Regeling administratie voorschriften ingevolge de Diergeneesmiddelenwetvermelden dierenartsen na het toepassen van een middel ingevolge de artikelen 2of 4, in hun administratie:
a. de naam en voor zover aanwezig het registratienummer van het middel;
b. de diersoort;
c. het aantal behandelde dieren;
d. de naam en het adres van de houder van het dier;
e. de indicatie waarvoor het middel wordt toegepast;
f. de gebruikte hoeveelheid, de dosering en de duur van de behandeling;
g. de datum waarop het dier is onderzocht alsmede de datum waarop het middel is toegepast;
h. de aanbevolen wachttermijn;
i. de diergeneeskundige motivatie voor de toepassing van het middel.
2. Onverminderd de artikelen 4 en 5 van de regeling, bedoeld in het eerste lid, doen dierenartsen onmiddellijk na het toepassen van een middel ingevolge de artikelen 2of 4schriftelijk opgave aan degene die consumptiedieren houdt van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3. Voorafgaand aan de toepassing informeren dierenartsen de houder van dieren over de toepassing van middelen in afwijking van de in de registratiebeschikking vermelde toepassing en van de mogelijk daaraan verbonden risico’s.
4. De administratie en de bescheiden die verband houden met de aantekeningen in de administratie worden vijf jaar bewaard.
a. de naam en voor zover aanwezig het registratienummer van het middel;
b. de diersoort;
c. het aantal behandelde dieren;
d. de naam en het adres van de houder van het dier;
e. de indicatie waarvoor het middel wordt toegepast;
f. de gebruikte hoeveelheid, de dosering en de duur van de behandeling;
g. de datum waarop het dier is onderzocht alsmede de datum waarop het middel is toegepast;
h. de aanbevolen wachttermijn;
i. de diergeneeskundige motivatie voor de toepassing van het middel.
2. Onverminderd de artikelen 4 en 5 van de regeling, bedoeld in het eerste lid, doen dierenartsen onmiddellijk na het toepassen van een middel ingevolge de artikelen 2of 4schriftelijk opgave aan degene die consumptiedieren houdt van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3. Voorafgaand aan de toepassing informeren dierenartsen de houder van dieren over de toepassing van middelen in afwijking van de in de registratiebeschikking vermelde toepassing en van de mogelijk daaraan verbonden risico’s.
4. De administratie en de bescheiden die verband houden met de aantekeningen in de administratie worden vijf jaar bewaard.