BWBR0010463
Geldig vanaf 1999-06-05
Artikel 4
Regeling incidentele middelen voor achterstallig onderhoud van scholen voor voortgezet onderwijs (vo)
1. Indien het gezamenlijke werkelijke aantal m² van het gebouw van de hoofdvestiging en het gebouw van de nevenvestiging kleiner is dan het normatieve aantal m² van de school of scholengemeenschap, berust de toekenning van de aanvullende vergoeding op dit gezamenlijke werkelijke aantal m². De aanvullende vergoeding wordt berekend door de van toepassing zijnde bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a tot en met c, te vermenigvuldigen met de desbetreffende werkelijke aantallen m², en de uitkomsten bij elkaar op te tellen.
2. Indien het gezamenlijke werkelijke aantal m² van het gebouw van de hoofdvestiging en het gebouw van de nevenvestiging groter is dan het normatieve aantal m² van de school of scholengemeenschap, berust de toekenning van de aanvullende vergoeding:
a. op het werkelijke aantal m² van uitsluitend de hoofdvestiging in die periode vanaf 1 januari 1987 tot ten hoogste het totale normatieve aantal m² bedoeld in artikel 1 onder e, en indien vervolgens een normatief aantal m² zou resteren,
b. tevens op het totale werkelijke aantal m² in de periode van 1 januari 1976 tot en met 31 december 1986, tot ten hoogste het onder a bedoelde resterende normatieve aantal m², en indien vervolgens een normatief aantal m² zou resteren,
c. tevens op het totale werkelijke aantal m² in de periode voor 1 januari 1976, tot ten hoogste het onder b bedoelde resterende normatieve aantal m².
3. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid.
4. Indien na toepassing van het tweede lid een normatief aantal m² resteert, wordt voor de nevenvestiging van de in dat lid bedoelde school of scholengemeenschap, op de grondslag van dat normatieve aantal een aanvullende vergoeding berekend met overeenkomstige toepassing van het tweede lid, en van het eerste lid, tweede volzin.
2. Indien het gezamenlijke werkelijke aantal m² van het gebouw van de hoofdvestiging en het gebouw van de nevenvestiging groter is dan het normatieve aantal m² van de school of scholengemeenschap, berust de toekenning van de aanvullende vergoeding:
a. op het werkelijke aantal m² van uitsluitend de hoofdvestiging in die periode vanaf 1 januari 1987 tot ten hoogste het totale normatieve aantal m² bedoeld in artikel 1 onder e, en indien vervolgens een normatief aantal m² zou resteren,
b. tevens op het totale werkelijke aantal m² in de periode van 1 januari 1976 tot en met 31 december 1986, tot ten hoogste het onder a bedoelde resterende normatieve aantal m², en indien vervolgens een normatief aantal m² zou resteren,
c. tevens op het totale werkelijke aantal m² in de periode voor 1 januari 1976, tot ten hoogste het onder b bedoelde resterende normatieve aantal m².
3. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid.
4. Indien na toepassing van het tweede lid een normatief aantal m² resteert, wordt voor de nevenvestiging van de in dat lid bedoelde school of scholengemeenschap, op de grondslag van dat normatieve aantal een aanvullende vergoeding berekend met overeenkomstige toepassing van het tweede lid, en van het eerste lid, tweede volzin.