BWBR0010122
Geldig vanaf 1999-01-16
Artikel 4
Tijdelijke regeling regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs
1. De regionale verwijzingscommissie bestaat uit een voorzitter, die tevens lid is, en ten minste twee andere leden. Tot de leden behoren in ieder geval een diagnostisch geschoold psycholoog of orthopedagoog en een deskundige die kennis heeft van en zicht heeft op onderwijskundige ontwikkelingen op het terrein van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.
2. De regionale verwijzingscommissie wordt bijgestaan door een secretaris.
3. De regionale verwijzingscommissie heeft een zodanige werkwijze dat telkens drie leden van de regionale verwijzingscommissie ten behoeve van de uitvoering van artikel 10g van de WVO en artikel XIV, derde lid, van de wet, de gegevens beoordelen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid.
4. De regionale verwijzingscommissie draagt er zorg voor dat het advies, bedoeld in artikel 2, wordt opgesteld door personen die onafhankelijk zijn van de school of afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk de school of afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, waarvoor de regionale verwijzingscommissie het advies opstelt.
2. De regionale verwijzingscommissie wordt bijgestaan door een secretaris.
3. De regionale verwijzingscommissie heeft een zodanige werkwijze dat telkens drie leden van de regionale verwijzingscommissie ten behoeve van de uitvoering van artikel 10g van de WVO en artikel XIV, derde lid, van de wet, de gegevens beoordelen die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid.
4. De regionale verwijzingscommissie draagt er zorg voor dat het advies, bedoeld in artikel 2, wordt opgesteld door personen die onafhankelijk zijn van de school of afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk de school of afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, waarvoor de regionale verwijzingscommissie het advies opstelt.