BWBR0010122
Geldig vanaf 1999-01-16
Artikel 2
Tijdelijke regeling regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs
1. De regionale verwijzingscommissie geeft, in afwijking van het tweede lid, derde volzin, van artikel 10g van de WVO en van artikel XIV, derde lid, van de wet, in plaats van een beschikking, een advies over de toelaatbaarheid met ingang van 1 augustus 1999 van een leerling tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk tot een school of afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs.
2. Indien het advies inhoudt dat een leerling niet toelaatbaar is, kan het bevoegd gezag, na overleg met de ouders, de leerling slechts toelaten tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk een school of afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, nadat het bevoegd gezag aan de regionale verwijzingscommissie de redenen voor de afwijking van het advies heeft meegedeeld. Het bevoegd gezag doet deze mededeling door middel van het formulier dat door de gezamenlijke regionale verwijzingscommissies is vastgesteld en door de regionale verwijzingscommissie wordt verstrekt.
3. De regionale verwijzingscommissie registreert de afwijking van haar advies, en de daarvoor gegeven redenen.
2. Indien het advies inhoudt dat een leerling niet toelaatbaar is, kan het bevoegd gezag, na overleg met de ouders, de leerling slechts toelaten tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk een school of afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, nadat het bevoegd gezag aan de regionale verwijzingscommissie de redenen voor de afwijking van het advies heeft meegedeeld. Het bevoegd gezag doet deze mededeling door middel van het formulier dat door de gezamenlijke regionale verwijzingscommissies is vastgesteld en door de regionale verwijzingscommissie wordt verstrekt.
3. De regionale verwijzingscommissie registreert de afwijking van haar advies, en de daarvoor gegeven redenen.