BWBR0009932
Geldig vanaf 1998-10-17
Artikel 7
Tijdelijke regeling aanvullende vergoeding knelpunten huisvesting roc's als gevolg van de overdracht van het inservice onderwijs
1. Het bureau adviseert de minister over de hoogte van de aanvullende vergoeding die nodig is om het knelpunt van de instelling op te lossen.
2. Uit het advies, bedoeld in het eerste lid, blijkt:
a. dat de instelling al datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht kan worden om het knelpunt op te lossen, dan wel in belangrijke mate te verminderen,
b. de hoogte van de eigen bijdrage van de instelling voor de oplossing van het knelpunt;
c. dat de rijksbijdrage 1998, berekend op grond van de artikelen 3, 4 en 5 van de overgangsregeling en de aanvullende vergoeding, berekend op grond van artikel 9 van de overgangsregeling niet toereikend is om het knelpunt op te lossen.
3. Het bureau verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De bescheiden betreffende de werkzaamheden van het bureau in het kader van deze regeling worden na beëindiging van deze werkzaamheden opgeborgen in het archief van het ministerie.
4. De minister stelt de hoogte van de aanvullende vergoeding voor 25 november 1998 vast door het bedrag, bedoeld in het eerste lid, te verminderen met de eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.
2. Uit het advies, bedoeld in het eerste lid, blijkt:
a. dat de instelling al datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht kan worden om het knelpunt op te lossen, dan wel in belangrijke mate te verminderen,
b. de hoogte van de eigen bijdrage van de instelling voor de oplossing van het knelpunt;
c. dat de rijksbijdrage 1998, berekend op grond van de artikelen 3, 4 en 5 van de overgangsregeling en de aanvullende vergoeding, berekend op grond van artikel 9 van de overgangsregeling niet toereikend is om het knelpunt op te lossen.
3. Het bureau verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De bescheiden betreffende de werkzaamheden van het bureau in het kader van deze regeling worden na beëindiging van deze werkzaamheden opgeborgen in het archief van het ministerie.
4. De minister stelt de hoogte van de aanvullende vergoeding voor 25 november 1998 vast door het bedrag, bedoeld in het eerste lid, te verminderen met de eenmalige tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3.