BWBR0009932
Geldig vanaf 1998-10-17
Artikel 5
Tijdelijke regeling aanvullende vergoeding knelpunten huisvesting roc's als gevolg van de overdracht van het inservice onderwijs
1. Het bevoegd gezag van de instelling kan een aanvraag indienen als bedoeld in artikel 4, uitsluitend ten behoeve van één van de in het tweede en het derde lid omschreven categorieën knelpunten.
2. Het bevoegd gezag van de instelling heeft naar het oordeel van de minister verschoonbaar een onjuiste opgave gedaan van het bedrag voor de huisvestingskosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling, op grond van feiten en omstandigheden die hem op het moment van inzenden van de onderscheiden formulieren, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling, niet bekend waren of hem in redelijkheid niet bekend hadden kunnen zijn.
3. Het bevoegd gezag van de instelling toont aan dat voor een overgedragen gebouw van een instituut, met ingang van 1 januari 2000 onvoldoende financiële middelen beschikbaar zullen zijn, als gevolg van:
a. een door de minister van volksgezondheid, welzijn en sport in 1994, 1995 of 1996 gegeven toestemming voor de nieuwbouw van het overgedragen gebouw,
b. een huurovereenkomst voor het overgedragen gebouw die is afgesloten voor 31 juli 1997 en die afloopt na 1 januari 2000,
c. ruimteoverschotten in het overgedragen gebouw, of
d. een extreem hoge schuldrest in combinatie met een naar het oordeel van de minister objectieve noodzaak tot verkoop van het gebouw.
4. Het bevoegd gezag toont het knelpunt, bedoeld in het derde lid, aan op basis van een vergelijking van de vergoeding voor de huisvesting voor 1998, vastgesteld op grond van artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling, met de uitkomst van de berekening waarbij het aantal deelnemers dat op 1 oktober 1996 was ingeschreven aan de instituten die aan de instelling zijn overgedragen, wordt vermenigvuldigd met ƒ 670,- per deelnemer. Indien de vergoeding voor de huisvesting bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling hoger is dan de uitkomst van de berekening bedoeld in de vorige volzin, wordt de aanvraag in behandeling genomen.
2. Het bevoegd gezag van de instelling heeft naar het oordeel van de minister verschoonbaar een onjuiste opgave gedaan van het bedrag voor de huisvestingskosten, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling, op grond van feiten en omstandigheden die hem op het moment van inzenden van de onderscheiden formulieren, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling, niet bekend waren of hem in redelijkheid niet bekend hadden kunnen zijn.
3. Het bevoegd gezag van de instelling toont aan dat voor een overgedragen gebouw van een instituut, met ingang van 1 januari 2000 onvoldoende financiële middelen beschikbaar zullen zijn, als gevolg van:
a. een door de minister van volksgezondheid, welzijn en sport in 1994, 1995 of 1996 gegeven toestemming voor de nieuwbouw van het overgedragen gebouw,
b. een huurovereenkomst voor het overgedragen gebouw die is afgesloten voor 31 juli 1997 en die afloopt na 1 januari 2000,
c. ruimteoverschotten in het overgedragen gebouw, of
d. een extreem hoge schuldrest in combinatie met een naar het oordeel van de minister objectieve noodzaak tot verkoop van het gebouw.
4. Het bevoegd gezag toont het knelpunt, bedoeld in het derde lid, aan op basis van een vergelijking van de vergoeding voor de huisvesting voor 1998, vastgesteld op grond van artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling, met de uitkomst van de berekening waarbij het aantal deelnemers dat op 1 oktober 1996 was ingeschreven aan de instituten die aan de instelling zijn overgedragen, wordt vermenigvuldigd met ƒ 670,- per deelnemer. Indien de vergoeding voor de huisvesting bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de overgangsregeling hoger is dan de uitkomst van de berekening bedoeld in de vorige volzin, wordt de aanvraag in behandeling genomen.