BWBR0009841
Geldig vanaf 1998-09-04
Artikel 3
Subsidieregeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur
1. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien de kosteneffectiviteit meer bedraagt dan:
a. € 22,69 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte aan woningen;
b. € 22,69 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte of koude aan niet tot bewoning bestemde gebouwen;
c. € 9,08 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte aan industriële processen;
d. € 9,08 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur of CO2-distributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte, onderscheidenlijk CO2, aan tuinbouwkassen;
e. het op basis van de CO2-reductie in samenhang met de in het kader van de uitvoering van het project voorziene leveringen gewogen gemiddelde van de onder a of b, onderscheidenlijk c of d, genoemde bedragen per vermeden ton CO2, indien het een project betreft, dat betrekking heeft op zowel een warmtedistributie-infrastructuur als bedoeld onder a of b, als een warmtedistributie-infrastructuur als bedoeld onder c, of een warmtedistributie-infrastructuur of een CO2-distributie-infrastructuur, als bedoeld onder d.
2. Onverminderd het eerste lid komt een project niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. de infrastructuur waar het project betrekking op heeft, in het gebruik minder dan 30% vermindering van de uitstoot van CO2 veroorzaakt in vergelijking met een gasinfrastructuur of aanwezige andere energie-infrastructuur met dezelfde capaciteit, bepaald overeenkomstig de rekenregels die in de bij deze regeling behorende bijlage zijn opgenomen;
b. de onder a bedoelde vermindering van de uitstoot van CO2 jaarlijks minder dan duizend ton bedraagt, bepaald overeenkomstig de rekenregels die in de bij deze regeling behorende bijlage zijn opgenomen;
c. de uitvoering van het project niet voor 1 januari 2000 aanvangt, indien de subsidie ten laste komt van het subsidieplafond dat wordt genoemd in artikel 2, tweede lid;
d. de uitvoering van het project niet voor een door de minister vastgesteld en in de Staatscourant bekendgemaakt tijdstip aanvangt, indien de subsidie ten laste komt van het subsidieplafond dat wordt bedoeld in artikel 2, vierde lid;
e. de uitvoering van het project niet voor 1 januari 2010 is afgerond;
f. voor de uitvoering van het project voor de datum van indiening van de subsidieaanvraag reeds verplichtingen zijn aangegaan, of
g. het project strijdig is met de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid, het rijksbeleid op het gebied van elektriciteitsproductie of het rijksbeleid op het gebied van de herstructurering van de glastuinbouw.
3. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. voor hetzelfde project eerder op grond van deze regeling subsidie is verstrekt;
b. voor hetzelfde project in het kader van een ander cluster van het CO2-reductieplan door de rijksoverheid subsidie is of wordt verstrekt;
c. voor hetzelfde project in het kader van de operatie Sanering Stadsverwarming door de rijksoverheid subsidie is verstrekt;
d. de subsidie blijkens de bij de subsidieaanvraag verschafte gegevens meer dan 30% van de extra milieukosten bedraagt, of
e. voor hetzelfde project door of vanwege een bestuursorgaan of de Europese Unie ter bescherming van het milieu een andere subsidie in de projectkosten wordt verstrekt dan bedoeld onder a, b of c, en de subsidie, vermeerderd met die andere subsidies, blijkens de bij de subsidieaanvraag verschafte gegevens meer dan 30% van de extra milieu-kosten bedraagt.
a. € 22,69 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte aan woningen;
b. € 22,69 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte of koude aan niet tot bewoning bestemde gebouwen;
c. € 9,08 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte aan industriële processen;
d. € 9,08 per vermeden ton CO2 indien het een project betreft, dat betrekking heeft op een warmtedistributie-infrastructuur of CO2-distributie-infrastructuur, bestemd voor de levering van warmte, onderscheidenlijk CO2, aan tuinbouwkassen;
e. het op basis van de CO2-reductie in samenhang met de in het kader van de uitvoering van het project voorziene leveringen gewogen gemiddelde van de onder a of b, onderscheidenlijk c of d, genoemde bedragen per vermeden ton CO2, indien het een project betreft, dat betrekking heeft op zowel een warmtedistributie-infrastructuur als bedoeld onder a of b, als een warmtedistributie-infrastructuur als bedoeld onder c, of een warmtedistributie-infrastructuur of een CO2-distributie-infrastructuur, als bedoeld onder d.
2. Onverminderd het eerste lid komt een project niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. de infrastructuur waar het project betrekking op heeft, in het gebruik minder dan 30% vermindering van de uitstoot van CO2 veroorzaakt in vergelijking met een gasinfrastructuur of aanwezige andere energie-infrastructuur met dezelfde capaciteit, bepaald overeenkomstig de rekenregels die in de bij deze regeling behorende bijlage zijn opgenomen;
b. de onder a bedoelde vermindering van de uitstoot van CO2 jaarlijks minder dan duizend ton bedraagt, bepaald overeenkomstig de rekenregels die in de bij deze regeling behorende bijlage zijn opgenomen;
c. de uitvoering van het project niet voor 1 januari 2000 aanvangt, indien de subsidie ten laste komt van het subsidieplafond dat wordt genoemd in artikel 2, tweede lid;
d. de uitvoering van het project niet voor een door de minister vastgesteld en in de Staatscourant bekendgemaakt tijdstip aanvangt, indien de subsidie ten laste komt van het subsidieplafond dat wordt bedoeld in artikel 2, vierde lid;
e. de uitvoering van het project niet voor 1 januari 2010 is afgerond;
f. voor de uitvoering van het project voor de datum van indiening van de subsidieaanvraag reeds verplichtingen zijn aangegaan, of
g. het project strijdig is met de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid, het rijksbeleid op het gebied van elektriciteitsproductie of het rijksbeleid op het gebied van de herstructurering van de glastuinbouw.
3. Een project komt niet voor subsidie in aanmerking indien:
a. voor hetzelfde project eerder op grond van deze regeling subsidie is verstrekt;
b. voor hetzelfde project in het kader van een ander cluster van het CO2-reductieplan door de rijksoverheid subsidie is of wordt verstrekt;
c. voor hetzelfde project in het kader van de operatie Sanering Stadsverwarming door de rijksoverheid subsidie is verstrekt;
d. de subsidie blijkens de bij de subsidieaanvraag verschafte gegevens meer dan 30% van de extra milieukosten bedraagt, of
e. voor hetzelfde project door of vanwege een bestuursorgaan of de Europese Unie ter bescherming van het milieu een andere subsidie in de projectkosten wordt verstrekt dan bedoeld onder a, b of c, en de subsidie, vermeerderd met die andere subsidies, blijkens de bij de subsidieaanvraag verschafte gegevens meer dan 30% van de extra milieu-kosten bedraagt.