BWBR0009809
Geldig vanaf 1998-08-14
Artikel 3.2.1
Besluit milieutoelatingseisen biociden
1. Geen toelating wordt verleend voor een biocide, indien één of meer daarin aanwezige werkzame stoffen of tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen, na gebruik van dat middel volgens de voorgestelde gebruiksvoorschriften:
a. een DT50 hebben van 90 dagen of meer, of
b. bij laboratoriumproeven grondgebonden residuen vormen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis van het biocide na 100 dagen, waarbij de mineralisatiesnelheid lager is dan 5% in 100 dagen.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt ook voor de relevante metabolieten, afbraak- of omzettingsproducten van de stoffen, bedoeld in die aanhef.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating door een adequate risicobeoordeling aantoont dat gebruik van het biocide onder relevante veldomstandigheden niet leidt tot onaanvaardbare accumulatie in de bodem.
4. Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:
a. de DT50 van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, tenzij het toepassingsgebied of de aard van de toepassing er toe zullen leiden dat de stof in geringe mate in de bodem komt en derhalve niet accumuleert, of
b. de DT50 van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten ligt tussen de 90 en 180 dagen en indien de som van de concentraties waarin een werkzame stof en zijn omzettingproducten in de bodem ontstaan binnen twee jaar na de toepassing kleiner is dan de PNEC.
a. een DT50 hebben van 90 dagen of meer, of
b. bij laboratoriumproeven grondgebonden residuen vormen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis van het biocide na 100 dagen, waarbij de mineralisatiesnelheid lager is dan 5% in 100 dagen.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt ook voor de relevante metabolieten, afbraak- of omzettingsproducten van de stoffen, bedoeld in die aanhef.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating door een adequate risicobeoordeling aantoont dat gebruik van het biocide onder relevante veldomstandigheden niet leidt tot onaanvaardbare accumulatie in de bodem.
4. Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:
a. de DT50 van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, tenzij het toepassingsgebied of de aard van de toepassing er toe zullen leiden dat de stof in geringe mate in de bodem komt en derhalve niet accumuleert, of
b. de DT50 van een werkzame stof en zijn omzettingsproducten ligt tussen de 90 en 180 dagen en indien de som van de concentraties waarin een werkzame stof en zijn omzettingproducten in de bodem ontstaan binnen twee jaar na de toepassing kleiner is dan de PNEC.