BWBR0009750
Geldig vanaf 1998-09-01
Artikel 3
Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998
1. Een ziektekostenverzekeraar is op een desbetreffende aanvraag verplicht een overeenkomst van standaardverzekering te sluiten met personen die behoren tot de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van personen en die:
a. naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande woonachtig zijn;
b. naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in Zwitserland of in een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, indien op hen ingevolge de bepalingen inzake de toepasselijke wetgeving neergelegd in Titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op zijn gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149), onderscheidenlijk neergelegd in dat verdrag, de Nederlandse wetgeving van toepassing is.
2. Bij die maatregel kan worden bepaald onder welke voorwaarden die verplichting geldt. Die voorwaarden kunnen per categorie van personen verschillen.
3. Onze Minister kan op een daartoe strekkende aanvraag ziektekostenverzekeraars aanwijzen ten aanzien van wie de in het eerste lid bedoelde verplichting niet geldt of slechts geldt ten aanzien van bij zijn besluit aan te geven categorieën van personen.
4. De overeenkomst tot standaardverzekering, bedoeld in het eerste lid, eindigt met ingang van de dag waarop:
a. de in dat lid, onderdeel a, bedoelde personen naar de omstandigheden beoordeeld niet langer hier te lande woonachtig zijn, tenzij zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, en niet buiten Nederland arbeid verrichten of een uitkering ontvangen krachtens een buitenlandse wettelijke regeling;
b. de in dat lid, onderdeel b, bedoelde personen niet langer voldoen aan de in dat onderdeel bedoelde voorwaarde, tenzij zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn in een lidstaat van de Europese Unie, in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en niet buiten Nederland arbeid verrichten of een uitkering ontvangen krachtens een buitenlandse wettelijke regeling.
5. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en het vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot en kinderen van de in deze leden bedoelde personen, voorzover zij niet behoren tot de categorieën van personen, aangewezen bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, noch arbeid verrichten of een uitkering ontvangen ingevolge een wettelijke regeling op grond waarvan de kosten in verband met het risico van ziekte of moederschap zijn gedekt.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder kinderen verstaan:
a. de ongehuwde eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen tot 18 jaar, of
b. de ongehuwde eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen van 18 tot 27 jaar, mits voor die kinderen recht bestaat respectievelijk zou bestaan op kinderbijslag ingevolge artikel XII van de Wet van 21 december 1995, tot nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 691), of op een tegemoetkoming ingevolge Hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, of op persoonsgebonden aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen ingevolge artikel 6.1, en afdeling 6.4., van de Wet inkomstenbelasting 2001, j°. artikel 35 en 36, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, indien deze kinderen hier te lande woonachtig zijn respectievelijk zouden zijn.
a. naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande woonachtig zijn;
b. naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in Zwitserland of in een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, indien op hen ingevolge de bepalingen inzake de toepasselijke wetgeving neergelegd in Titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op zijn gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149), onderscheidenlijk neergelegd in dat verdrag, de Nederlandse wetgeving van toepassing is.
2. Bij die maatregel kan worden bepaald onder welke voorwaarden die verplichting geldt. Die voorwaarden kunnen per categorie van personen verschillen.
3. Onze Minister kan op een daartoe strekkende aanvraag ziektekostenverzekeraars aanwijzen ten aanzien van wie de in het eerste lid bedoelde verplichting niet geldt of slechts geldt ten aanzien van bij zijn besluit aan te geven categorieën van personen.
4. De overeenkomst tot standaardverzekering, bedoeld in het eerste lid, eindigt met ingang van de dag waarop:
a. de in dat lid, onderdeel a, bedoelde personen naar de omstandigheden beoordeeld niet langer hier te lande woonachtig zijn, tenzij zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland, en niet buiten Nederland arbeid verrichten of een uitkering ontvangen krachtens een buitenlandse wettelijke regeling;
b. de in dat lid, onderdeel b, bedoelde personen niet langer voldoen aan de in dat onderdeel bedoelde voorwaarde, tenzij zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland en die naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn in een lidstaat van de Europese Unie, in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en niet buiten Nederland arbeid verrichten of een uitkering ontvangen krachtens een buitenlandse wettelijke regeling.
5. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, en het vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot en kinderen van de in deze leden bedoelde personen, voorzover zij niet behoren tot de categorieën van personen, aangewezen bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, noch arbeid verrichten of een uitkering ontvangen ingevolge een wettelijke regeling op grond waarvan de kosten in verband met het risico van ziekte of moederschap zijn gedekt.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder kinderen verstaan:
a. de ongehuwde eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen tot 18 jaar, of
b. de ongehuwde eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen van 18 tot 27 jaar, mits voor die kinderen recht bestaat respectievelijk zou bestaan op kinderbijslag ingevolge artikel XII van de Wet van 21 december 1995, tot nadere wijziging van een aantal sociale zekerheidswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 691), of op een tegemoetkoming ingevolge Hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, of op persoonsgebonden aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen ingevolge artikel 6.1, en afdeling 6.4., van de Wet inkomstenbelasting 2001, j°. artikel 35 en 36, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, indien deze kinderen hier te lande woonachtig zijn respectievelijk zouden zijn.