BWBR0009709
Geldig vanaf 2025-07-14
Artikel 76
Penitentiaire beginselenwet
1. De plaatsing van een tot vrijheidsstraf veroordeelde in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden geschiedt voordat zes maanden sedert de beslissing, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/6:2:8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6:2:8, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>is genomen, in een gevangenis of huis van bewaring zijn doorgebracht.
2. Indien Onze Minister, rekening houdende met de in <a href="/wet/BWBR0040634/artikel/6.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6.2, tweede lid, van de Wet forensische zorg</a>genoemde eisen, van oordeel is dat de plaatsing niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn mogelijk is, kan hij deze termijn telkens met drie maanden verlengen.
3. Tegen de beslissing tot verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan de tot vrijheidsstraf veroordeelde beroep instellen bij de Raad. Het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0008765" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden</a>is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien Onze Minister, rekening houdende met de in <a href="/wet/BWBR0040634/artikel/6.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6.2, tweede lid, van de Wet forensische zorg</a>genoemde eisen, van oordeel is dat de plaatsing niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn mogelijk is, kan hij deze termijn telkens met drie maanden verlengen.
3. Tegen de beslissing tot verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan de tot vrijheidsstraf veroordeelde beroep instellen bij de Raad. Het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0008765" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden</a>is van overeenkomstige toepassing.