BWBR0009709
Geldig vanaf 2025-07-14
Artikel 40b
Penitentiaire beginselenwet
1. De gedetineerde die verblijft in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, wordt in de gelegenheid gesteld om:
a. één uur per week bezoek te ontvangen;
b. éénmaal per week tien minuten één telefoongesprek te voeren.
2. De gedetineerde ontvangt per bezoekmoment slechts één meerderjarige bezoeker dan wel één minderjarige bezoeker vergezeld door één meerderjarige bezoeker.
3. Op het bezoek en het telefoongesprek wordt toezicht uitgeoefend als bedoeld in artikel 38, vierde lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid.
4. Onze Minister kan een tijdelijke verruiming van het bepaalde in het eerste en tweede lid toestaan indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een tijdelijke verruiming rechtvaardigen.
5. Artikel 18, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan het verzoek rauwelijks afwijzen indien de gedetineerde bij herhaling kennelijk ongegronde verzoeken doet.
6. Onze Minister kan te allen tijde de toepassing van het vierde lid beëindigen, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.
7. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de toepassing van het vierde en zesde lid.
a. één uur per week bezoek te ontvangen;
b. éénmaal per week tien minuten één telefoongesprek te voeren.
2. De gedetineerde ontvangt per bezoekmoment slechts één meerderjarige bezoeker dan wel één minderjarige bezoeker vergezeld door één meerderjarige bezoeker.
3. Op het bezoek en het telefoongesprek wordt toezicht uitgeoefend als bedoeld in artikel 38, vierde lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid.
4. Onze Minister kan een tijdelijke verruiming van het bepaalde in het eerste en tweede lid toestaan indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een tijdelijke verruiming rechtvaardigen.
5. Artikel 18, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan het verzoek rauwelijks afwijzen indien de gedetineerde bij herhaling kennelijk ongegronde verzoeken doet.
6. Onze Minister kan te allen tijde de toepassing van het vierde lid beëindigen, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.
7. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over de toepassing van het vierde en zesde lid.