BWBR0009709
Geldig vanaf 2025-07-14
Artikel 28
Penitentiaire beginselenwet
1. De directeur stelt bij binnenkomst in en bij het verlaten van de inrichting, bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0017212/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden</a>en voor zover dit anderszins noodzakelijk is, de identiteit van de gedetineerde vast.
2. De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van bezoek de identiteit van de gedetineerde vast, tenzij een ambtenaar of medewerker op de gedetineerde voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.
3. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het <a href="/wet/BWBR0001903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Strafvordering</a>of de <a href="/wet/BWBR0011823" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Vreemdelingenwet 2000</a>vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006297/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht</a>. <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/29c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 29c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>is van overeenkomstige toepassing.
4. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0017212/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden</a>worden van de gedetineerde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het <a href="/wet/BWBR0001903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Strafvordering</a>genomen en verwerkt.
5. De directeur is bevoegd van de gedetineerde een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De gedetineerde is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar of medewerker te tonen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid.
2. De directeur stelt tevens voorafgaand aan en na afloop van bezoek de identiteit van de gedetineerde vast, tenzij een ambtenaar of medewerker op de gedetineerde voortdurend en persoonlijk toezicht houdt.
3. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat bij de eerste opname in de inrichting het vragen naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats buiten de inrichting. Het omvat tevens het nemen van een of meer vingerafdrukken. In de gevallen waarin van de gedetineerde eerder overeenkomstig het <a href="/wet/BWBR0001903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Strafvordering</a>of de <a href="/wet/BWBR0011823" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Vreemdelingenwet 2000</a>vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van zijn identiteit bij binnenkomst in de inrichting tevens een vergelijking van zijn vingerafdrukken met de van hem verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn identiteit een onderzoek van zijn identiteitsbewijs, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006297/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht</a>. <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/29c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 29c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>is van overeenkomstige toepassing.
4. Het vaststellen van de identiteit van de gedetineerde omvat in de andere gevallen dan de eerste opname in de inrichting het nemen van een of meer vingerafdrukken en het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem bij binnenkomst genomen vingerafdrukken. Bij de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0017212/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden</a>worden van de gedetineerde tevens een of meer vingerafdrukken overeenkomstig het <a href="/wet/BWBR0001903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Strafvordering</a>genomen en verwerkt.
5. De directeur is bevoegd van de gedetineerde een of meer foto’s te nemen. De foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen van een legitimatiebewijs en voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten. De gedetineerde is verplicht het legitimatiebewijs bij zich te dragen en op verzoek van een ambtenaar of medewerker te tonen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid.