BWBR0009684
Geldig vanaf 2004-03-04
Artikel 35
Infectieziektenwet
1. De boete wordt opgelegd bij beschikking van de burgemeester.
2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:
a. de te betalen geldsom;
b. de overtreding terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden wettelijk voorschrift;
c. de in artikel 34, tweede lid, onder b en c, bedoelde gegevens.
3. Op verzoek van de persoon, bedoeld in artikel 32, eerste, tweede of derde lid, die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de burgemeester er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die beschikking vermelde informatie aan die persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4. De beschikking wordt genomen binnen 12 weken, nadat de directeur het rapport, bedoeld in artikel 34, eerste lid, heeft opgemaakt.
5. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt 1 jaar, nadat een overtreding als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede lid of derde lid, is begaan.
6. De werking van een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
7. Onze Minister kan in overeenstemming met de Minister van Justitie beleidsregels stellen met betrekking tot de oplegging van boeten.
2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:
a. de te betalen geldsom;
b. de overtreding terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden wettelijk voorschrift;
c. de in artikel 34, tweede lid, onder b en c, bedoelde gegevens.
3. Op verzoek van de persoon, bedoeld in artikel 32, eerste, tweede of derde lid, die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de burgemeester er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die beschikking vermelde informatie aan die persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4. De beschikking wordt genomen binnen 12 weken, nadat de directeur het rapport, bedoeld in artikel 34, eerste lid, heeft opgemaakt.
5. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt 1 jaar, nadat een overtreding als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede lid of derde lid, is begaan.
6. De werking van een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.
7. Onze Minister kan in overeenstemming met de Minister van Justitie beleidsregels stellen met betrekking tot de oplegging van boeten.