BWBR0009684
Geldig vanaf 2004-03-04
Artikel 14
Infectieziektenwet
1. De burgemeester kan een persoon terstond ter isolatie in een ziekenhuis doen opnemen, indien:
a. 1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A,
2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 4, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A of groep B;
1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A,
2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 4, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A of groep B;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte;
c. dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend en
d. de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is.
2. Dit artikel wordt niet toegepast ten aanzien van de navolgende infectieziekten: bacillaire dysenterie; botulisme; buiktyfus; cholera; de ziekte van Creutzfeldt-Jakob; hepatitis A, B, of C; kinkhoest; mazelen; meningokokkose; paratyfus A, B of C; voedselvergiftiging; voedselinfectie; brucellose; gele koorts; legionellose; leptospirose; malaria; miltvuur; ornithose/psittacose; O-koorts; rodehond of trichinose.
a. 1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A,
2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 4, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A of groep B;
1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A,
2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 4, derde lid, heeft plaatsgevonden, of
3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A of groep B;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte;
c. dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend en
d. de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is.
2. Dit artikel wordt niet toegepast ten aanzien van de navolgende infectieziekten: bacillaire dysenterie; botulisme; buiktyfus; cholera; de ziekte van Creutzfeldt-Jakob; hepatitis A, B, of C; kinkhoest; mazelen; meningokokkose; paratyfus A, B of C; voedselvergiftiging; voedselinfectie; brucellose; gele koorts; legionellose; leptospirose; malaria; miltvuur; ornithose/psittacose; O-koorts; rodehond of trichinose.