BWBR0009684
Geldig vanaf 2004-03-04
Artikel 18a
Infectieziektenwet
1. De burgemeester kan besluiten een persoon te onderwerpen aan de maatregelen van afzondering, waarneming of medisch toezicht om de verspreiding van ernstige infectieziekten van hoge letaliteit en besmettelijkheid behorende tot groep A of groep B tegen te gaan, indien hij van oordeel is dat:
a. die persoon daadwerkelijk lijdt aan één van de bedoelde infectieziekten, er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daaraan lijdt, dan wel dat hij recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een zodanige infectieziekte heeft gehad dat besmetting van deze persoon met dezelfde ziekte mogelijk is;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte; en
c. die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan een maatregel bereid is.
2. De burgemeester kan toestaan dat de afzondering onder zo nodig te stellen voorwaarden plaatsvindt in de woning van de af te zonderen persoon.
3. Tijdens de afzondering wordt waarneming verricht. De waarneming wordt verricht onder medische verantwoordelijkheid van een door de directeur aangewezen geneeskundige.
4. De burgemeester geeft in zijn beschikking aan waarop bij de waarneming in ieder geval gelet wordt.
5. De artikelen 15, derde en vijfde lid, en 16, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
a. die persoon daadwerkelijk lijdt aan één van de bedoelde infectieziekten, er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daaraan lijdt, dan wel dat hij recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan een zodanige infectieziekte heeft gehad dat besmetting van deze persoon met dezelfde ziekte mogelijk is;
b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte; en
c. die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan een maatregel bereid is.
2. De burgemeester kan toestaan dat de afzondering onder zo nodig te stellen voorwaarden plaatsvindt in de woning van de af te zonderen persoon.
3. Tijdens de afzondering wordt waarneming verricht. De waarneming wordt verricht onder medische verantwoordelijkheid van een door de directeur aangewezen geneeskundige.
4. De burgemeester geeft in zijn beschikking aan waarop bij de waarneming in ieder geval gelet wordt.
5. De artikelen 15, derde en vijfde lid, en 16, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.