BWBR0009630
Geldig vanaf 2003-10-27
Artikel 4
Regeling havenstaatcontrole
1. De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat onderwerpen elk schip met een prioriteitsfactor van meer dan 50 volgens het SIRENAC-informatiesysteem, dat niet aan een uitgebreide inspectie is onderworpen, aan een inspectie op voorwaarde dat een periode van ten minste een maand is verstreken na de laatste inspectie door een andere bij het MOU aangesloten havenstaat.
2. Bij het selecteren van andere schepen voor inspectie bepalen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de volgorde als volgt:
a. de eerste ter inspectie te selecteren schepen zijn de in bijlage I, deel I, van de richtlijn vermelde schepen, ongeacht hun prioriteitsfactor,
b. de in bijlage I, deel II, van de richtlijn vermelde schepen worden geselecteerd in afnemende volgorde, overeenkomstig hun prioriteitsfactor volgens het SIRENAC-informatiesysteem.
3. De door de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat te controleren certificaten en andere documenten, zijn de certificaten en documenten, genoemd in bijlage II van de richtlijn, de documenten genoemd in artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 1999/95 EG en de certificaten en documenten genoemd in bijlage 4 bij het Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijk aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44).
4. Gegronde redenen voor een nadere inspectie door de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat zijn in elk geval de redenen, genoemd in bijlage III van de richtlijn, alsmede de omstandigheden, genoemd in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG.
5. Bij een inspectie, nadere inspectie of controle volgen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de procedures, bedoeld in bijlage IV van de richtlijn, met dien verstande dat daarbij bijlage 1 van het MOU als richtsnoer wordt gehanteerd, alsmede de procedures, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EGen in artikel 23 van richtlijn nr. 2008/106/EG.
2. Bij het selecteren van andere schepen voor inspectie bepalen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de volgorde als volgt:
a. de eerste ter inspectie te selecteren schepen zijn de in bijlage I, deel I, van de richtlijn vermelde schepen, ongeacht hun prioriteitsfactor,
b. de in bijlage I, deel II, van de richtlijn vermelde schepen worden geselecteerd in afnemende volgorde, overeenkomstig hun prioriteitsfactor volgens het SIRENAC-informatiesysteem.
3. De door de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat te controleren certificaten en andere documenten, zijn de certificaten en documenten, genoemd in bijlage II van de richtlijn, de documenten genoemd in artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 1999/95 EG en de certificaten en documenten genoemd in bijlage 4 bij het Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijk aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44).
4. Gegronde redenen voor een nadere inspectie door de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat zijn in elk geval de redenen, genoemd in bijlage III van de richtlijn, alsmede de omstandigheden, genoemd in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG.
5. Bij een inspectie, nadere inspectie of controle volgen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de procedures, bedoeld in bijlage IV van de richtlijn, met dien verstande dat daarbij bijlage 1 van het MOU als richtsnoer wordt gehanteerd, alsmede de procedures, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EGen in artikel 23 van richtlijn nr. 2008/106/EG.