BWBR0009480
Geldig vanaf 1998-03-29
Artikel 5
Aanvullend Luchthaven Reglement Lelystad
Met inachtneming van het gestelde in artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Luchthaven Reglement, worden de volgende voorschriften vastgesteld:
1. Voertuigen in het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein a. voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
a. voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
2. Opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen lokaties.
a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen lokaties.
3. Het voortbewegen, parkeren, stallen alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts na van de dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen lokaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte is zodanig, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voorstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts na van de dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen lokaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte is zodanig, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voorstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
4. Het proefdraaien van motoren, anders dan ten behoeve van warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaatsen;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
d. De exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.
a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaatsen;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
d. De exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.
1. Voertuigen in het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein a. voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
a. voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de dienstdoende functionaris van de havendienst toestemming is verleend;
b. voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn;
c. voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens;
d. voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
2. Opslag en plaatsing van gereedschappen, materialen, voertuigen en andere roerende zaken a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen lokaties.
a. alle roerende zaken die bij de afhandeling van een luchtvaartuig zijn betrokken en die niet aanstonds ten behoeve van een luchtvaartuig behoeven te worden gebruikt, worden onverwijld door de gebruiker naar de daarvoor door de exploitant aangewezen plaats gebracht;
b. roerende zaken worden slechts opgeslagen of geplaatst op de daarvoor door of met toestemming van de exploitant bestemde of aangewezen lokaties.
3. Het voortbewegen, parkeren, stallen alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts na van de dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen lokaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte is zodanig, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voorstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
a. het opstellen, parkeren en stallen van, alsmede het verrichten van reparaties aan luchtvaartuigen, is slechts na van de dienstdoende functionaris van de havendienst verkregen toestemming toegestaan op of in de daarvoor bestemde of aangewezen lokaties;
b. door de dienstdoende functionaris van de havendienst kan worden gelast dat geparkeerde of gestalde luchtvaartuigen worden verplaatst indien hij dit uit het oogpunt van goede orde en veiligheid noodzakelijk acht;
c. de afstand tussen geparkeerde luchtvaartuigen en de grens van het voor publiek toegankelijke terreingedeelte is zodanig, dat nergens op het voor publiek toegankelijke terreingedeelte de luchtsnelheid, veroorzaakt door in werking zijnde voorstuwingsinstallaties, 50 km/uur (15m/sec) te boven kan gaan.
4. Het proefdraaien van motoren, anders dan ten behoeve van warmdraaien vóór de start of afkoeling na de vlucht a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaatsen;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
d. De exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.
a. proefdraaien van vliegtuigmotoren geschiedt slechts op daarvoor door de exploitant aangewezen plaatsen;
b. de exploitant kan het proefdraaien gedurende bepaalde uren of dagen verbieden en kan aan het proefdraaien voorwaarden verbinden;
c. het proefdraaien op een platform is verboden, behoudens tevoren verkregen toestemming van de dienstdoende functionaris van de havendienst.
d. De exploitant kan nadere bepalingen geven in een ’Regeling Proefdraaien’.