BWBR0009382
Geldig vanaf 1998-03-01
Artikel 9
Papi-regeling
1. De lichteenheden zijn van zodanige constructie dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan een luchtvaartuig toebrengen.
2. De lichteenheden zijn zodanig uitgevoerd dat onder meer condens, sneeuw, ijs, stof of vuil, dat zich op het optisch systeem mocht afzetten, de lichtuitstraling zo weinig mogelijk zal verstoren en geen invloed zal hebben op de overgang tussen rood en wit licht en de hiermee samenhangende hoekinstelling van de lichteenheden.
3. Lichteenheden, niet voorzien van enige vorm van verwarming, worden vóór gebruik enige tijd op 100% intensiteit ingeschakeld teneinde het doen verdwijnen van condens, ijs of sneeuw op het optisch systeem te bevorderen.
4. De hoekinstelling van de lichteenheden kan op eenvoudige wijze geschieden.
2. De lichteenheden zijn zodanig uitgevoerd dat onder meer condens, sneeuw, ijs, stof of vuil, dat zich op het optisch systeem mocht afzetten, de lichtuitstraling zo weinig mogelijk zal verstoren en geen invloed zal hebben op de overgang tussen rood en wit licht en de hiermee samenhangende hoekinstelling van de lichteenheden.
3. Lichteenheden, niet voorzien van enige vorm van verwarming, worden vóór gebruik enige tijd op 100% intensiteit ingeschakeld teneinde het doen verdwijnen van condens, ijs of sneeuw op het optisch systeem te bevorderen.
4. De hoekinstelling van de lichteenheden kan op eenvoudige wijze geschieden.