BWBR0009382
Geldig vanaf 1998-03-01
Artikel 4
Papi-regeling
1. De afstand tot de rand van de verharding, zijnde de baan met inbegrip van eventueel aanwezige schouders, en de onderlinge afstand van de lichteenheden zijn in overeenstemming met de afstanden, bedoeld in bijlage A.
2. De lichteenheden zijn geplaatst in één horizontaal vlak op een hoogte gelijk aan de hoogte van de hartlijn van de baan ter plaatse van de Papi.
3. De maximaal toelaatbare hoogte van de lichteenheden boven het maaiveld bedraagt 0,90 meter. Er steken geen hindernissen boven de lichteenheden uit, noch worden de lichteenheden door hindernissen of door gewas afgeschermd.
4. Teneinde voldoende stabiliteit van de afzonderlijke lichteenheden te kunnen garanderen, worden deze gemonteerd op een fundering. Deze fundering is zodanig onder het maaiveld aangebracht, dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan een luchtvaartuig kan toebrengen.
5. De afstand P (in meters), bedoeld in bijlage A, geeft de afstand weer tussen de baandrempel en de positie van de Papi. Deze afstand P wordt zodanig bepaald, dat alle vliegtuigen, die naderen volgens een dalingshoek waarbij nog juist de indicatie van de 3° dalingshoek wordt verkregen, een voldoende veilige afstand tussen de onderzijde landingsgestel en de baandrempel wordt verkregen. Voorwaarde hierbij is, dat ten opzichte van N.A.P. de hoogte van de baandrempel gelijk is aan de hoogte van de hartlijn van de baan op de berekende positie van de Papi. Zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, zal de bestuurder van een vliegtuig, wanneer een dalingshoek van 3° wordt aangehouden, zich tussen een dalingshoek van 2°50’ en 3°10’ bevinden. Hierbij bedraagt de minimumwaarde van de dalingshoek waarbij nog juist twee rode en twee witte lichteenheden worden waargenomen 2°50’. De overgang van rood naar wit licht is zodanig, dat een overgangszone van 2’ ontstaat. Voor de berekeningen van P wordt derhalve een minimumwaarde van 2°48’ aangehouden.
6. Indien, ten opzichte van N.A.P., verschil in hoogte bestaat tussen die van de baandrempel en die van de hartlijn van de baan op de berekende afstand P van de Papi, en deze verschillen niet kunnen worden gecorrigeerd binnen de toegestane hoogte boven het maaiveld, genoemd in het derde lid, dan wordt deze afstand P als volgt gecorrigeerd:
P 1= P± H 1cot. 2°48’;
P 1= gecorrigeerde afstand in meters ten opzichte van de in het vijfde lid berekende positie van de Papi (P);
H 1= hoogteverschil in meters, ten opzichte van N.A.P., tussen baandrempel en de hartlijn van de baan op de afstand P.
De afstand P 1zal vergeleken met de afstand P:
‐ groter zijn indien, ten opzichte van N.A.P., de hoogte van de baandrempel groter is dan die van de hartlijn van de baan op de afstand P,
‐ kleiner zijn indien, ten opzichte van N.A.P., de hoogte van de baandrempel kleiner is dan die van de hartlijn van de baan op de afstand P.
7. Uitgaande van het gestelde in het vijfde dan wel het zesde lid, wordt, indien ten gevolge van terreinomstandigheden verschil bestaat tussen de hoogte ten opzichte van N.A.P. van het horizontale vlak door de lichteenheden en die van de hartlijn van de baan op de berekende afstand P of P1, en deze verschillen niet kunnen worden gecorrigeerd binnen de toegestane hoogte boven het maaiveld, bedoeld in het derde lid, deze afstand bovendien nog als volgt gecorrigeerd:
P 3= P(P 1)± H 2cot. 2°48’;
P 2= gecorrigeerde afstand in meters ten opzichte van de in het vijfde lid berekende afstand P of in de in het zesde lid gecorrigeerde afstand P 1van de te plaatsen lichteenheden;
H 2= hoogteverschil in meters, ten opzichte van N.A.P., tussen het terrein ter plaatse van de lichteenheden en de hartlijn van de baan op afstand P(P 1).
De afstand P 2zal vergeleken met de afstand P (P 1):
‐ groter zijn indien de hoogte, ten opzichte van N.A.P., van het vlak door de lichteenheden kleiner is dan die van de hartlijn van de baan op afstand P(P 1);
‐ kleiner zijn, indien de hoogte, ten opzichte van N.A.P., van het terrein ter plaatse van de lichteenheden groter is dan die van de hartlijn van de baan op afstand P( 1).
8. Onverminderd het gestelde in het vijfde, zesde en zevende lid, is de keuze van de plaats voor het installeren van de Papi zodanig, dat bestuurders van alle vliegtuigen die gebruik maken van de Papi, bij het waarnemen van drie rode en een witte lichteenheid met een veilige marge vrij blijven van alle hindernissen in het naderingsgebied.
9. Wordt een Papi zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van een baan geïnstalleerd, dan wordt deze installatie zodanig uitgevoerd, dat de bestuurder van een naderend vliegtuig beide Papi’s in één lijn loodrecht op de hartlijn van deze banen bij elke dalingshoek als een volledig symmetrisch patroon van lichteenheden waarneemt.
2. De lichteenheden zijn geplaatst in één horizontaal vlak op een hoogte gelijk aan de hoogte van de hartlijn van de baan ter plaatse van de Papi.
3. De maximaal toelaatbare hoogte van de lichteenheden boven het maaiveld bedraagt 0,90 meter. Er steken geen hindernissen boven de lichteenheden uit, noch worden de lichteenheden door hindernissen of door gewas afgeschermd.
4. Teneinde voldoende stabiliteit van de afzonderlijke lichteenheden te kunnen garanderen, worden deze gemonteerd op een fundering. Deze fundering is zodanig onder het maaiveld aangebracht, dat deze bij een aanvaring zo min mogelijk schade aan een luchtvaartuig kan toebrengen.
5. De afstand P (in meters), bedoeld in bijlage A, geeft de afstand weer tussen de baandrempel en de positie van de Papi. Deze afstand P wordt zodanig bepaald, dat alle vliegtuigen, die naderen volgens een dalingshoek waarbij nog juist de indicatie van de 3° dalingshoek wordt verkregen, een voldoende veilige afstand tussen de onderzijde landingsgestel en de baandrempel wordt verkregen. Voorwaarde hierbij is, dat ten opzichte van N.A.P. de hoogte van de baandrempel gelijk is aan de hoogte van de hartlijn van de baan op de berekende positie van de Papi. Zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, zal de bestuurder van een vliegtuig, wanneer een dalingshoek van 3° wordt aangehouden, zich tussen een dalingshoek van 2°50’ en 3°10’ bevinden. Hierbij bedraagt de minimumwaarde van de dalingshoek waarbij nog juist twee rode en twee witte lichteenheden worden waargenomen 2°50’. De overgang van rood naar wit licht is zodanig, dat een overgangszone van 2’ ontstaat. Voor de berekeningen van P wordt derhalve een minimumwaarde van 2°48’ aangehouden.
6. Indien, ten opzichte van N.A.P., verschil in hoogte bestaat tussen die van de baandrempel en die van de hartlijn van de baan op de berekende afstand P van de Papi, en deze verschillen niet kunnen worden gecorrigeerd binnen de toegestane hoogte boven het maaiveld, genoemd in het derde lid, dan wordt deze afstand P als volgt gecorrigeerd:
P 1= P± H 1cot. 2°48’;
P 1= gecorrigeerde afstand in meters ten opzichte van de in het vijfde lid berekende positie van de Papi (P);
H 1= hoogteverschil in meters, ten opzichte van N.A.P., tussen baandrempel en de hartlijn van de baan op de afstand P.
De afstand P 1zal vergeleken met de afstand P:
‐ groter zijn indien, ten opzichte van N.A.P., de hoogte van de baandrempel groter is dan die van de hartlijn van de baan op de afstand P,
‐ kleiner zijn indien, ten opzichte van N.A.P., de hoogte van de baandrempel kleiner is dan die van de hartlijn van de baan op de afstand P.
7. Uitgaande van het gestelde in het vijfde dan wel het zesde lid, wordt, indien ten gevolge van terreinomstandigheden verschil bestaat tussen de hoogte ten opzichte van N.A.P. van het horizontale vlak door de lichteenheden en die van de hartlijn van de baan op de berekende afstand P of P1, en deze verschillen niet kunnen worden gecorrigeerd binnen de toegestane hoogte boven het maaiveld, bedoeld in het derde lid, deze afstand bovendien nog als volgt gecorrigeerd:
P 3= P(P 1)± H 2cot. 2°48’;
P 2= gecorrigeerde afstand in meters ten opzichte van de in het vijfde lid berekende afstand P of in de in het zesde lid gecorrigeerde afstand P 1van de te plaatsen lichteenheden;
H 2= hoogteverschil in meters, ten opzichte van N.A.P., tussen het terrein ter plaatse van de lichteenheden en de hartlijn van de baan op afstand P(P 1).
De afstand P 2zal vergeleken met de afstand P (P 1):
‐ groter zijn indien de hoogte, ten opzichte van N.A.P., van het vlak door de lichteenheden kleiner is dan die van de hartlijn van de baan op afstand P(P 1);
‐ kleiner zijn, indien de hoogte, ten opzichte van N.A.P., van het terrein ter plaatse van de lichteenheden groter is dan die van de hartlijn van de baan op afstand P( 1).
8. Onverminderd het gestelde in het vijfde, zesde en zevende lid, is de keuze van de plaats voor het installeren van de Papi zodanig, dat bestuurders van alle vliegtuigen die gebruik maken van de Papi, bij het waarnemen van drie rode en een witte lichteenheid met een veilige marge vrij blijven van alle hindernissen in het naderingsgebied.
9. Wordt een Papi zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van een baan geïnstalleerd, dan wordt deze installatie zodanig uitgevoerd, dat de bestuurder van een naderend vliegtuig beide Papi’s in één lijn loodrecht op de hartlijn van deze banen bij elke dalingshoek als een volledig symmetrisch patroon van lichteenheden waarneemt.