BWBR0009382
Geldig vanaf 1998-03-01
Artikel 3
Papi-regeling
1. De overgang van rood naar wit licht in de uitgestraalde lichtbundel is voor alle vier lichteenheden verschillend. Deze lichteenheden zijn zodanig ingesteld, dat de bestuurder van een naderend vliegtuig, ten opzichte van de gebruikelijke dalingshoek van drie graden, de lichteenheden als volgt ziet:
a. indien veel te hoog ten opzichte van de 3° dalingshoek (een dalingshoek van meer dan 3°30’), vier lichteenheden wit;
b. indien enigszins hoger dan de 3° dalingshoek (een dalingshoek van 3°10’ tot 3°30’), de lichteenheid het dichtst bij de baan rood, de overige drie wit;
c. indien de 3° dalingshoek wordt aangehouden (een dalingshoek van 2°50’ tot 3°10’), twee lichteenheden het dichtst bij de baan rood, de overige twee wit;
d. indien enigszins lager dan de 3° dalingshoek (een dalingshoek van 2°50’ tot 2°30’), drie lichteenheden het dichtst bij de baan rood, de vierde wit;
e. indien te laag ten opzichte van de 3° dalingshoek (een dalingshoek van minder dan 2°30’), vier lichteenheden rood.
a. indien veel te hoog ten opzichte van de 3° dalingshoek (een dalingshoek van meer dan 3°30’), vier lichteenheden wit;
b. indien enigszins hoger dan de 3° dalingshoek (een dalingshoek van 3°10’ tot 3°30’), de lichteenheid het dichtst bij de baan rood, de overige drie wit;
c. indien de 3° dalingshoek wordt aangehouden (een dalingshoek van 2°50’ tot 3°10’), twee lichteenheden het dichtst bij de baan rood, de overige twee wit;
d. indien enigszins lager dan de 3° dalingshoek (een dalingshoek van 2°50’ tot 2°30’), drie lichteenheden het dichtst bij de baan rood, de vierde wit;
e. indien te laag ten opzichte van de 3° dalingshoek (een dalingshoek van minder dan 2°30’), vier lichteenheden rood.