BWBR0009127
Geldig vanaf 1998-01-24
Artikel 26
IJkregeling gasmeters
1. De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen in gebruiksomstandigheden overeenkomstig klasse B bestaat voorts uit:
a. plaatsing van de inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C, bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%;
b. twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens: 1º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd naar 40 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
2º. de temperatuur van 40 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93%;
3º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
4º. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.
1º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd naar 40 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
2º. de temperatuur van 40 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93%;
3º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
4º. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.
2. De blootstelling aan omgevingscondities, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op elektronische inrichtingen in gebruiksomstandigheden overeenkomstig de klassen C en F, met dien verstande dat in afwijking van het eerste lid, onder b, 2°, de temperatuur tot 55 °C wordt opgevoerd.
3. De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft.
a. plaatsing van de inrichting in een ruimte met een temperatuur van 25 °C ± 3 °C, bij een relatieve vochtigheid van ten minste 95%;
b. twee cycli van 24 uur, waarin achtereenvolgens: 1º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd naar 40 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
2º. de temperatuur van 40 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93%;
3º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
4º. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.
1º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt opgevoerd naar 40 °C, waarbij de relatieve vochtigheid gehandhaafd blijft op ten minste 95%, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
2º. de temperatuur van 40 °C wordt gehandhaafd tot 12 uur ± 30 minuten na het begin van de cyclus bij een relatieve vochtigheid van 93%;
3º. in 3 uur ± 30 minuten de temperatuur wordt verlaagd tot 25 °C, waarbij de relatieve vochtigheid ten minste 95% bedraagt, uitgezonderd de laatste 15 minuten, waarin de vochtigheid ten minste 90% bedraagt;
4º. de temperatuur van 25 °C ± 3 °C wordt gehandhaafd bij een relatieve vochtigheid van 95%, totdat de cyclus van 24 uur is voltooid.
2. De blootstelling aan omgevingscondities, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op elektronische inrichtingen in gebruiksomstandigheden overeenkomstig de klassen C en F, met dien verstande dat in afwijking van het eerste lid, onder b, 2°, de temperatuur tot 55 °C wordt opgevoerd.
3. De luchtvochtigheid wordt zodanig geregeld, dat condensvorming mogelijk blijft.