BWBR0009092
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 2
Lozingenbesluit bodembescherming
1. Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem:
a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op: 1. de vochtvoorziening van gewassen;
2. het schoonmaken van gewassen op het veld;
3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;
1. de vochtvoorziening van gewassen;
2. het schoonmaken van gewassen op het veld;
3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;
e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld;
f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten en plagen;
h. voor zover sprake is van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie;
i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp maken daarvan;
j. vervallen;
k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie.
2. Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem:
a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;
b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib;
c. vanuit een particulier huishouden;
d. waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing is.
a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;
d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op: 1. de vochtvoorziening van gewassen;
2. het schoonmaken van gewassen op het veld;
3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;
1. de vochtvoorziening van gewassen;
2. het schoonmaken van gewassen op het veld;
3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;
e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld;
f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten en plagen;
h. voor zover sprake is van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie;
i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp maken daarvan;
j. vervallen;
k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie.
2. Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem:
a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;
b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib;
c. vanuit een particulier huishouden;
d. waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing is.