BWBR0009092
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 14a
Lozingenbesluit bodembescherming
1. Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 14, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder a tot en met d, dan wel in gevallen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder a en b.
2. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, tweede lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, zijn artikel 14, derde en vijfde lid, alsmede de artikelen 15 tot en met 19van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, vierde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, is artikel 14, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, tweede lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, zijn artikel 14, derde en vijfde lid, alsmede de artikelen 15 tot en met 19van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het eerste lid een lozing in de bodem is toegestaan en het in artikel 14, vierde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet, is artikel 14, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.