BWBR0008547
Geldig vanaf 1997-02-18
Artikel 12
Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid-II
1. In de toekenningsbeschikking wordt het maximumbedrag bepaald dat aan subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de aanvrager geraamd in zijn subsidie-aanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de toekenningsbeschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.
2. Aan de toekenningsbeschikking wordt de voorwaarde verbonden dat de aanvrager, met gebruikmaking van een transnationaliteitsdocument overeenkomstig bijlage III, voor 1 januari 1998 aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgave doet van de instantie of instanties in andere EU-landen die deelnemen aan het transnationale project.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde opgave niet tijdig wordt gedaan, vervalt de toekenning, behoudens een daarin begrepen bedrag van maximaal f 10.000 ter bekostiging van de activiteiten die tussen 31 juli 1997 en 1 januari 1998 hebben plaatsgevonden voor het leggen van contacten en het plegen van overleg met potentiële projectuitvoerders in andere EU-landen, teneinde te komen tot een transnationaal samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.
2. Aan de toekenningsbeschikking wordt de voorwaarde verbonden dat de aanvrager, met gebruikmaking van een transnationaliteitsdocument overeenkomstig bijlage III, voor 1 januari 1998 aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgave doet van de instantie of instanties in andere EU-landen die deelnemen aan het transnationale project.
3. Indien de in het tweede lid bedoelde opgave niet tijdig wordt gedaan, vervalt de toekenning, behoudens een daarin begrepen bedrag van maximaal f 10.000 ter bekostiging van de activiteiten die tussen 31 juli 1997 en 1 januari 1998 hebben plaatsgevonden voor het leggen van contacten en het plegen van overleg met potentiële projectuitvoerders in andere EU-landen, teneinde te komen tot een transnationaal samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.