BWBR0008129
Geldig vanaf 1996-07-01
Artikel 5
Informatiestatuut Dienst Wegverkeer
1. De minister legt beleidsvoornemens dan wel voorgenomen wet- en regelgeving welke na invoering van invloed zijn of kunnen zijn op het functioneren van de dienst ten behoeve van een uitvoeringstoets voor aan de dienst.
2. De minister doet het verzoek om een uitvoeringstoets in overleg met de dienst op een zodanig tijdstip dat de rapportage nog van invloed kan zijn op de besluitvorming ter zake van het beleidsvoornemen.
3. Bij het verzoek formuleert de minister de door de dienst te beantwoorden vragen en wordt de termijn bepaald waarbinnen de rapportage gereed dient te zijn.
De dienst beziet het beleidsvoornemen in ieder geval op:
a. operationaliseerbaarheid,
b. gevolgen voor de dienst in termen van personeel, organisatie en financiën, en
c. mogelijkheden om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleidsvoornemen te vergroten.
4. De minister reageert op de door de dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
5. Indien de minister nalaat tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, informeert de dienst de minister van de intentie van de dienst om een uitvoeringstoets uit eigen beweging uit te voeren.
6. Indien in de loop van het besluitvormingsproces het aan de dienst voorgelegde beleidsvoornemen op voor de dienst relevante punten wordt gewijzigd, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan de dienst. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De minister doet het verzoek om een uitvoeringstoets in overleg met de dienst op een zodanig tijdstip dat de rapportage nog van invloed kan zijn op de besluitvorming ter zake van het beleidsvoornemen.
3. Bij het verzoek formuleert de minister de door de dienst te beantwoorden vragen en wordt de termijn bepaald waarbinnen de rapportage gereed dient te zijn.
De dienst beziet het beleidsvoornemen in ieder geval op:
a. operationaliseerbaarheid,
b. gevolgen voor de dienst in termen van personeel, organisatie en financiën, en
c. mogelijkheden om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleidsvoornemen te vergroten.
4. De minister reageert op de door de dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
5. Indien de minister nalaat tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, informeert de dienst de minister van de intentie van de dienst om een uitvoeringstoets uit eigen beweging uit te voeren.
6. Indien in de loop van het besluitvormingsproces het aan de dienst voorgelegde beleidsvoornemen op voor de dienst relevante punten wordt gewijzigd, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan de dienst. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.