1. Het jaarverslag bedoeld in
artikel 4s, vierde lid, onderdeel a, van de wet, geeft een getrouw beeld omtrent de toestand op 31 december van het jaar onder beschouwing en de gang van zaken gedurende dat jaar.
2. In het jaarverslag wordt ingegaan op de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen, en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder in het afgelopen boekjaar, mede in relatie tot de in het financieel meerjarenbeleidsplan en de begroting vooraf gestelde doelen en verwachte ontwikkelingen, alsmede de factoren die daarbij van invloed zijn geweest.
3. In het jaarverslag wordt het oordeel over de situatie van de informatiebeveiliging vermeld, alsmede op welke wijze en door wie dit oordeel tot stand is gekomen.
4. In het jaarverslag worden de volgende gegevens opgenomen:
a. het aantal zaken op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Nationale ombudsman, en de Wet openbaarheid van bestuur, en de resultaten daarvan;
b. het aantal ingediende klachten en schade-claims, onderverdeeld naar taak, en de resultaten daarvan;
c. de relevante gegevens betreffende de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening.
5. In het jaarverslag worden mededelingen gedaan omtrent de verwachte gang van zaken; daarbij wordt, voor zover gewichtige belangen zich hiertegen niet verzetten, in het bijzonder aandacht besteed aan de investeringen, de financiering en personele aspecten en aan de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en van de kwaliteit van de taakuitoefening afhankelijk is.
6. Het jaarverslag mag niet in strijd zijn met de jaarrekening.
7. Bij het opstellen van de jaarrekening, bedoeld in
artikel 4s, vierde lid, onderdeel b, van de wet, zijn de
artikelen 361,
362, eerste tot en met vijfde lid,
362, zevende lid,
363 tot en met 390,
392, en
405 tot en met 414 van Boek 2 BWvan overeenkomstige toepassing; voor zover hieronder niet anders bepaald dient voor ’de algemene vergadering van leden of aandeelhouders’ of ’de algemene vergadering’ of ’de leden’ of ’de aandeelhouders’ gelezen te worden: ’Onze Minister’; voor ’de raad van commissarissen’ of ’commissarissen’ gelezen te worden: ’de raad van toezicht’ respectievelijk ’de leden van de raad van toezicht’; voor ’het bestuur’ of ’bestuurders’ moet worden gelezen: ’de directie’ respectievelijk ’directieleden’.
8. De dienst vervangt de winst- en verliesrekening door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
9. In aanvulling op
artikel 362, van Boek 2 BW, geldt het volgende:
a. De jaarrekening wordt vastgesteld en aan goedkeuring onderworpen met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de vergadering van de raad van toezicht waarin zij wordt behandeld, voor zover dat onontbeerlijk is voor het in artikel 362, eerste lid, van Boek 2 BW, bedoelde inzicht.
b. Indien na de datum van goedkeuring door de raad van toezicht blijkt dat de jaarrekening in ernstige mate tekort schiet in het geven van het in artikel 362, eerste lid, van Boek 2 BW, bedoelde inzicht, dan bericht de directie daaromtrent onverwijld aan de raad van toezicht en de minister en publiceert daaromtrent een mededeling in de Staatscourant; bij de mededeling wordt een accountantsverklaring gevoegd.
10. In
artikel 367, eerste lid, onderdeel f, en in
artikel 370, eerste lid, onderdeel e, van Boek 2 BW, dient voor ’leden of houders van aandelen op naam’ gelezen te worden: ’de Staat’.
11. De dienst doet mededelingen aan de minister over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden van het personeel.
12. De dienst informeert de minister over de gemiddelde loonsom per werknemer over het betreffende boekjaar in de vorm van een indexcijfer, waarbij de gemiddelde loonsom per werknemer per 1 juli 1996 op 100 is gesteld.