BWBR0008129
Geldig vanaf 1996-07-01
Artikel 11
Informatiestatuut Dienst Wegverkeer
1. Mede ten behoeve van het periodiek aan de Staten-Generaal te zenden verslag over de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het functioneren van de dienst verstrekt de dienst aan de minister uiterlijk drie maanden voor de datum waarop het verslag aan de Staten-Generaal dient te worden gezonden:
a. een overzicht van de volgende gegevens over de te evalueren periode: 1. het aantal zaken op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Nationale ombudsman, en de Wet openbaarheid van bestuur, en de resultaten daarvan;
2. het aantal ingediende klachten en schade-claims, onderverdeeld naar taak, en de resultaten daarvan;
3. de relevante gegevens betreffende de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening.
1. het aantal zaken op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Nationale ombudsman, en de Wet openbaarheid van bestuur, en de resultaten daarvan;
2. het aantal ingediende klachten en schade-claims, onderverdeeld naar taak, en de resultaten daarvan;
3. de relevante gegevens betreffende de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening.
b. een toelichting op dit overzicht waarin wordt ingegaan op verschillen in doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de dienst, zowel binnen de te evalueren periode als in verhouding tot de eerder geëvalueerde periode. Hierbij gaat de dienst tevens op evaluerende wijze in op de rechtsvorm van de dienst, het arbeidsvoorwaardenregime, en het proces van afstoten van taken naar de marktsector.
c. de overige gegevens en informatie waar de minister in dit kader om heeft verzocht.
2. De minister stelt de dienst in kennis van het verslag alvorens de minister het verslag aan de Staten-Generaal zendt, met het verzoek hierop te reageren binnen de bij het verzoek door de minister gestelde termijn.
3. De minister reageert op de visie van de dienst ten aanzien van het verslag en geeft daarbij in ieder geval aan in hoeverre de visie van de dienst is betrokken bij de finale beoordeling.
a. een overzicht van de volgende gegevens over de te evalueren periode: 1. het aantal zaken op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Nationale ombudsman, en de Wet openbaarheid van bestuur, en de resultaten daarvan;
2. het aantal ingediende klachten en schade-claims, onderverdeeld naar taak, en de resultaten daarvan;
3. de relevante gegevens betreffende de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening.
1. het aantal zaken op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet Nationale ombudsman, en de Wet openbaarheid van bestuur, en de resultaten daarvan;
2. het aantal ingediende klachten en schade-claims, onderverdeeld naar taak, en de resultaten daarvan;
3. de relevante gegevens betreffende de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening.
b. een toelichting op dit overzicht waarin wordt ingegaan op verschillen in doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de dienst, zowel binnen de te evalueren periode als in verhouding tot de eerder geëvalueerde periode. Hierbij gaat de dienst tevens op evaluerende wijze in op de rechtsvorm van de dienst, het arbeidsvoorwaardenregime, en het proces van afstoten van taken naar de marktsector.
c. de overige gegevens en informatie waar de minister in dit kader om heeft verzocht.
2. De minister stelt de dienst in kennis van het verslag alvorens de minister het verslag aan de Staten-Generaal zendt, met het verzoek hierop te reageren binnen de bij het verzoek door de minister gestelde termijn.
3. De minister reageert op de visie van de dienst ten aanzien van het verslag en geeft daarbij in ieder geval aan in hoeverre de visie van de dienst is betrokken bij de finale beoordeling.