BWBR0008021
Geldig vanaf 1996-05-15
Artikel 12
Subsidieregeling schipperszorg binnenvaart
1. In ieder geval kan de Minister de subsidieverlening of -vaststelling, met inachtneming van het vierde lid, geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
b. de subsidie is verleend op basis van zodanig onjuiste of onvolledige gegevens, dat een andere beschikking op de aanvraag zou zijn genomen, indien de juiste gegevens waren verstrekt;
c. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de instelling dit wist of behoorde te weten;
d. feiten of omstandigheden bestaan waarvan de Minister bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
e. indien de instelling niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze regeling.
2. De verplichting tot betaling van de subsidie wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister de instelling kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan het eerste lid, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sinds de bekendmaking van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.
3. De intrekking, bedoeld in het eerste lid, werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend of vastgesteld. De reeds betaalde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar.
4. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken na vijf jaar:
a. na haar bekendmaking, of
b. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e: nadat de instelling niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze regeling.
a. de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
b. de subsidie is verleend op basis van zodanig onjuiste of onvolledige gegevens, dat een andere beschikking op de aanvraag zou zijn genomen, indien de juiste gegevens waren verstrekt;
c. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de instelling dit wist of behoorde te weten;
d. feiten of omstandigheden bestaan waarvan de Minister bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
e. indien de instelling niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze regeling.
2. De verplichting tot betaling van de subsidie wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Minister de instelling kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan het eerste lid, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sinds de bekendmaking van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.
3. De intrekking, bedoeld in het eerste lid, werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend of vastgesteld. De reeds betaalde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar.
4. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken na vijf jaar:
a. na haar bekendmaking, of
b. in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e: nadat de instelling niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze regeling.