BWBR0007923
Geldig vanaf 1996-03-01
Artikel 10
Mandaatregeling VWS
1. Behoudens de artikelen 12 tot en met 15bhebben de volgende functionarissen mandaat ten aanzien van stukken die tot hun werkterrein behoren:
a. De Directeuren-Generaal en de directeuren van een directie of eenheid van het kernministerie;
b. de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
c. de inspecteur-generaal en de Directeur Strategie en Organisatie van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
d. de inspecteur-generaal, de Directeur Strategie, de Directeur Handhaven, de Directeur Slachttoezicht, de Directeur Handelstoezicht, de Directeur Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek en de Directeur Interne Organisatie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
e. de Algemeen Directeur van het CIBG;
f. de Directeur van het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen;
g. de Directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau;
h. de Directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
i. de Directeur van de Dienst Testen;
j. de hoofden van de direct onder de functionarissen, genoemd onder a tot en met i, ressorterende organisatie-eenheden.
2. Indien een directie of eenheid niet is verdeeld in organisatie-eenheden, heeft ieder ander lid van het collegiaal managementteam mandaat ten aanzien van stukken die tot het werkterrein van zijn directie of eenheid behoren.
a. De Directeuren-Generaal en de directeuren van een directie of eenheid van het kernministerie;
b. de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
c. de inspecteur-generaal en de Directeur Strategie en Organisatie van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
d. de inspecteur-generaal, de Directeur Strategie, de Directeur Handhaven, de Directeur Slachttoezicht, de Directeur Handelstoezicht, de Directeur Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek en de Directeur Interne Organisatie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
e. de Algemeen Directeur van het CIBG;
f. de Directeur van het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen;
g. de Directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau;
h. de Directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
i. de Directeur van de Dienst Testen;
j. de hoofden van de direct onder de functionarissen, genoemd onder a tot en met i, ressorterende organisatie-eenheden.
2. Indien een directie of eenheid niet is verdeeld in organisatie-eenheden, heeft ieder ander lid van het collegiaal managementteam mandaat ten aanzien van stukken die tot het werkterrein van zijn directie of eenheid behoren.