BWBR0007335
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 24
Besluit bijstandverlening zelfstandigen
1. De voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch verkeer.
2. In afwijking van het eerste lid worden de volgende vermogensbestanddelen als volgt gewaardeerd:
a. onderhanden werken, halffabrikaten, eindprodukten en te velde staande gewassen worden gewaardeerd op basis van de gemaakte kosten, arbeidskosten daaronder begrepen;
b. handelsvoorraden en grondstoffen worden gewaardeerd op basis van de aanschaffingswaarde, voor zover nodig gecorrigeerd met een aftrek wegens incourantheid;
c. immateriële activa, zoals goodwill en melkquotum worden gewaardeerd op basis van de aankoopprijs, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijving;
d. levensverzekeringen, die zijn aangegaan voor de financiering van onroerend goed, worden opgenomen tegen de contante waarde;
e. aandelen in coöperaties en inkoopverenigingen alsmede andere vormen van ledenkapitaal worden gewaardeerd op basis van de fiscale boekwaarde;
f. land en tuinbouwgrond wordt gewaardeerd op de waarde in verpachte staat.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kunnen de meerjarige te velde staande gewassen of de plantopstanden in een bepaalde bedrijfstak worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer op het moment dat er in deze bedrijfstak sprake is van een crisissituatie; van een crisissituatie is sprake in het geval dat er in meer dan twee opeenvolgende jaren lage opbrengstprijzen zijn verkregen al dan niet in combinatie met lage fysieke opbrengsten als gevolg van slechte weersomstandigheden.
4. Onder schulden wordt mede verstaan:
a. uit de jaarrekening blijkende schulden wegens niet uitbetaald loon aan kinderen;
b. reserveringen in verband met belastingclaims, die voortvloeien uit de vaststelling van de waarde van de bezittingen, bedoeld in het eerste en tweede lid;
c. reserveringen in verband met de Wet Investeringsrekening.
5. Burgemeester en wethouders laten, indien daartoe aanleiding bestaat, de onroerende goederen taxeren door een taxateur.
6. Burgemeester en wethouders laten de waarde van de bezittingen opnieuw vaststellen indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.
2. In afwijking van het eerste lid worden de volgende vermogensbestanddelen als volgt gewaardeerd:
a. onderhanden werken, halffabrikaten, eindprodukten en te velde staande gewassen worden gewaardeerd op basis van de gemaakte kosten, arbeidskosten daaronder begrepen;
b. handelsvoorraden en grondstoffen worden gewaardeerd op basis van de aanschaffingswaarde, voor zover nodig gecorrigeerd met een aftrek wegens incourantheid;
c. immateriële activa, zoals goodwill en melkquotum worden gewaardeerd op basis van de aankoopprijs, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijving;
d. levensverzekeringen, die zijn aangegaan voor de financiering van onroerend goed, worden opgenomen tegen de contante waarde;
e. aandelen in coöperaties en inkoopverenigingen alsmede andere vormen van ledenkapitaal worden gewaardeerd op basis van de fiscale boekwaarde;
f. land en tuinbouwgrond wordt gewaardeerd op de waarde in verpachte staat.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kunnen de meerjarige te velde staande gewassen of de plantopstanden in een bepaalde bedrijfstak worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer op het moment dat er in deze bedrijfstak sprake is van een crisissituatie; van een crisissituatie is sprake in het geval dat er in meer dan twee opeenvolgende jaren lage opbrengstprijzen zijn verkregen al dan niet in combinatie met lage fysieke opbrengsten als gevolg van slechte weersomstandigheden.
4. Onder schulden wordt mede verstaan:
a. uit de jaarrekening blijkende schulden wegens niet uitbetaald loon aan kinderen;
b. reserveringen in verband met belastingclaims, die voortvloeien uit de vaststelling van de waarde van de bezittingen, bedoeld in het eerste en tweede lid;
c. reserveringen in verband met de Wet Investeringsrekening.
5. Burgemeester en wethouders laten, indien daartoe aanleiding bestaat, de onroerende goederen taxeren door een taxateur.
6. Burgemeester en wethouders laten de waarde van de bezittingen opnieuw vaststellen indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven.