BWBR0007334
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 8
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
1. Onze Minister kan de verlening van bijstand aan een Nederlander die zich in het buitenland bevindt voortzetten ten aanzien van:
a. degene die in de peilmaand bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel 95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan de peildag bijstand ontving op grond van artikel 82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na de peildag opnieuw bijstand aanvraagt.
2. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
3. De hoofdstukken II, III, VIIen VIII, alsmede paragraaf 2 van hoofdstuk VIen het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste, tweede en derde lid, 69, 70, eerste en tweede lid, en 71 van de nieuwe Algemene bijstandswetzijn, voor zover de omstandigheden het toelaten, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.
4. Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het betreffende geval niet langer van toepassing.
a. degene die in de peilmaand bijstand ontving op grond van artikel 82 of artikel 95 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand niet is geëindigd;
b. degene die op enig moment in de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan de peildag bijstand ontving op grond van artikel 82 van de Algemene Bijstandswet, welke bijstand in die periode is geëindigd, indien belanghebbende binnen 26 weken na de peildag opnieuw bijstand aanvraagt.
2. De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.
3. De hoofdstukken II, III, VIIen VIII, alsmede paragraaf 2 van hoofdstuk VIen het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste, tweede en derde lid, 69, 70, eerste en tweede lid, en 71 van de nieuwe Algemene bijstandswetzijn, voor zover de omstandigheden het toelaten, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.
4. Zodra ten minste 26 weken zijn verstreken nadat de bijstand die werd verleend op grond van het eerste lid werd beëindigd, is dat lid ten aanzien van het betreffende geval niet langer van toepassing.