Algemene bijstandswet
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Hoofdstuk II
Het recht op bijstand
§ 1
De kring van rechthebbenden
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
§ 2
Personen aan wie bijstand kan worden verleend
Artikel 11
Artikel 12
§ 3
Afstemming van de bijstand
Artikel 13
Artikel 14
2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, kunnen burgemeester en wethouders afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels worden gesteld.
§ 3a
Administratieve boeten
Artikel 14a
2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand kunnen burgemeester en wethouders afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van een boete.
5. Degene aan wie een boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
6. Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels gesteld.
Artikel 14b
2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de belanghebbende een boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
3. Op verzoek van de belanghebbende die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrechtstellen burgemeester en wethouders de belanghebbende in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
5. Indien de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de belanghebbende die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Artikel 14c
2. Op verzoek van de belanghebbende die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de belanghebbende wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.
Artikel 14d
2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid mededeling aan burgemeester en wethouders.
Artikel 14e
2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Artikel 14f
2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd algemene bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigenof de Wet inkomensvoorziening kunstenaarsontvangt, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd tenuitvoergelegd door verrekening met die bijstand of uitkering.
3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd inmiddels bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede lid ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwetof de Wet arbeid en zorg, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
5. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen bijstand of uitkering als bedoeld in het tweede of vierde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingop zijn kosten betekend en tenuitvoergelegd.
6. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel van het vijfde lid, dan wel van het tweede, derde of vierde lid in combinatie met het vijfde lid.
7. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
8. De betekening en tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan geschieden door de deurwaarder, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel 256 van die wetis van overeenkomstige toepassing.
9. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door burgemeester en wethouders op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen, welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingvan overeenkomstige toepassing. De in artikel 479gaan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en wethouders.
10. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475cen 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
11. Het tiende lid geldt niet zolang de belanghebbende zijn verplichting bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
§ 4
Niet noodzakelijke kosten
Artikel 15
Artikel 16
§ 5
Verhouding tot voorliggende voorzieningen
Artikel 17
Artikel 18
Hoofdstuk III
De vorm van de bijstand
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 23a
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 25a
Hoofdstuk IV
De hoogte van de bijstand
Afdeling 1
Algemene bijstand
§ 1
Algemeen
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
§ 2
De bijstandsnorm
Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
§ 3
Verhoging en verlaging van de bijstandsnorm
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
Afdeling 2
Bijzondere bijstand
Artikel 39
Artikel 40
Artikel 41
Afdeling 3
De middelen
§ 1
Algemeen
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
§ 2
Het inkomen
Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Artikel 50
§ 3
Het vermogen
Artikel 51
Artikel 52
Artikel 53
Artikel 54
Afdeling 4
Aanpassing van bedragen
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 57
Artikel 58
Artikel 59
Artikel 60
Artikel 61
Artikel 62
Hoofdstuk V
Het geldend maken van het recht op bijstand
§ 1
De gemeente jegens welke recht op bijstand bestaat
Artikel 63
Artikel 63a
Artikel 64
§ 2
Inlichtingenverplichting en onderzoek
Artikel 65
Artikel 66
2. Burgemeester en wethouders onderzoeken de juistheid en volledigheid van de verkregen gegevens en stellen zonodig een onderzoek in naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft besluiten burgemeester en wethouders tot herziening van de bijstand.
3. Burgemeester en wethouders verrichten regelmatig een heronderzoek naar de voor het recht op bijstand van belang zijnde gegevens. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de aan de bijstand verbonden verplichtingen. Burgemeester en wethouders beoordelen tevens of er aanleiding bestaat de verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzigen.
4. Het in het derde en vierde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 107ontheffing is verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het bestaan te voorzien alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen worden vergroot.
5. Bij beëindiging van de bijstand nemen burgemeester en wethouders, na onderzoek, tijdig een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.
6. Burgemeester en wethouders onderzoeken regelmatig de financiële omstandigheden van degene aan wie zij betalings- en aflossingsverplichtingen hebben opgelegd met betrekking tot de verleende algemene bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, besluiten burgemeester en wethouders tot wijziging van de opgelegde betalings- en aflossingsverplichtingen.
§ 3
De aanvraag
Artikel 67
Artikel 68
Artikel 68a
§ 4
Opschorting en herziening van de bijstand
Artikel 69
Artikel 69a
§ 5
Het besluit tot toekenning of wijziging van bijstand
Artikel 70
§ 6
Overige bepalingen
Artikel 71
Hoofdstuk VI
De betaling van de bijstand
§ 1
Algemeen
Artikel 72
Artikel 73
Artikel 74
Artikel 75
Artikel 76
Artikel 77
§ 2
Terugvordering
Artikel 78
Artikel 78a
Artikel 78b
Artikel 78c
Artikel 79
Artikel 80
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 86
Artikel 87
Artikel 88
Artikel 89
Artikel 90
Artikel 91
Hoofdstuk VII
Verhaal
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 93a
Artikel 94
Artikel 95
Artikel 96
Artikel 96a
Artikel 97
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 100
Artikel 101
Artikel 102
Artikel 103
Artikel 104
Artikel 105
Hoofdstuk VIII
Aan de bijstand verbonden verplichtingen
§ 1
Algemeen
Artikel 106
Artikel 107
Artikel 108
Artikel 108a
Artikel 109
Artikel 110
Artikel 110a
§ 2
Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening
Artikel 111
Artikel 112
Artikel 113
Artikel 114
Artikel 114a
Artikel 115
Artikel 115a
Hoofdstuk IX
Uitvoering en toezicht
§ 1
Verantwoordelijkheid voor de uitvoering
Artikel 116
Artikel 117
Artikel 118
Artikel 119
Artikel 120
§ 2
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Artikel 121
Artikel 122
Artikel 123
Artikel 124
Artikel 125
Artikel 126
Artikel 127
Artikel 128
§ 3
§ 4
Toezicht
Artikel 130
Artikel 131
§ 5
Beleidsinformatie
Artikel 132
Artikel 133
Hoofdstuk X
Artikel 134
Artikel 134a
Artikel 135
Artikel 136
Artikel 137
Artikel 137a
Hoofdstuk XI
Rechtsbescherming
Artikel 138
Artikel 139
Artikel 139a
Artikel 140
Artikel 140a
Hoofdstuk XII
Strafbepalingen
Artikel 141
Artikel 142
Artikel 142a
Artikel 143
Hoofdstuk XIII
Slotbepalingen