BWBR0007301
Geldig vanaf 1995-04-01
Artikel XII
Wijzigingsbesluit Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (6)
De Seniorenbeleid Onderwijspersoneel regeling wordt als volgt vastgesteld:
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. instelling: - een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
- het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie;
- een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
- het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie;
b. personeelslid: een personeelslid in dienst van een instelling en wat betreft het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie een personeelslid in dienst van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen dat werkzaam is bij dat Rijksinstituut;
c. bevoegd gezag: het college van bestuur, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van een instelling en voor zover het betreft het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
d. salaris: het salaris dat voor een personeelslid is vastgesteld aan de hand van de voor deze geldende rechtspositieregeling;
e. volledige werktijd: een werktijd die gemiddeld acht en dertig werkuren per week omvat;
f. arbeidsduur: de betrekkingsomvang van het personeelslid, voordat deze van deze regeling gebruik maakt.
1. Tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt de werktijd van het personeelslid met een volledige werktijd die daartoe een aanvraag heeft ingediend, met behoud van zijn arbeidsduur, verminderd, waarbij hij met vervallen van de overige in dit lid genoemde mogelijkheden kan kiezen tussen: a. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 32 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 24 uur per week; dan wel
b. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 20 uur per week; dan wel
c. wanneer hij 59 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week.
a. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 32 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 24 uur per week; dan wel
b. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 20 uur per week; dan wel
c. wanneer hij 59 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week.
2. Voor een personeelslid met een niet-volledige werktijd wordt de werktijd verminderd in verhouding tot een volledige werktijd.
3. Het in het eerste lid en tweede lid bedoelde personeelslid dient op het moment van de eerste vermindering van de werktijd tenminste vijf aaneengesloten jaren ambtenaar te zijn in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel tenminste vijf aaneengesloten jaren in dienst te zijn van de instelling.
4. Voor de uren waarmee de werktijd van het personeelslid ingevolge het eerste lid is verminderd, wordt het personeelslid geacht met verlof te zijn.
5. Een verminderde werktijd als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt bij de vaststelling van uitkeringen of toelagen op grond van andere besluiten niet aangemerkt als onvolledige werktijd.
Bij vermindering van de werktijd als bedoeld in artikel 2, wordt op het salaris van het personeelslid in de in artikel 2, eerste lid, onder a, bof c, genoemde gevallen een inhouding toegepast ter grootte van: onder a. 5%, onderscheidenlijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel;
onder b. 25% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel;
onder c. 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel.
Over de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van het personeelslid zijn de artikelen 7 en 8 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uitt reden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verrekening van de extra inkomsten niet kan leiden tot een lager bedrag dan het personeelslid zou verdienen, indien hij in deeltijd werkzaam zou zijn in een betrekking met een gelijke omvang.
1. Het personeelslid dat boven de volledige werktijd per week gedurende meer uren werkt en daarvoor een compensatie ontvangt door toekenning van extra vakantiedagen, is, indien voor hem een vermindering van de werktijd op grond van artikel 2 plaats vindt, gehouden dit meerdere aantal uren te blijven werken om aanspraak op deze extra vakantiedagen te kunnen blijven behouden.
2. Het personeelslid voor wie op grond van artikel 2 een vermindering van de werktijd plaatsvindt, kan met ingang van de dag waarop die vermindering ingaat, geen aanspraak meer maken op de verhoging van de aanspraak op vakantieverlof die volgens de voor hem geldende vakantieregeling afhankelijk van zijn leeftijd is vastgesteld.
3. Met ingang van de dag waarop voor het personeelslid op grond van artikel 2 een vermindering van de werktijd plaatsvindt, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
4. In afwijking van het tweede en derde lid kunnen het bevoegd gezag en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel regels overeenkomen over de aanspraken van vakantieverlof, met dien verstande dat zolang dergelijke regels nog niet zijn overeengekomen, het tweede en derde lid van toepassing zijn.
1. Het personeelslid dat van deze regeling gebruik wenst te maken, dient hiertoe tenminste acht weken voor de datum dat hij wenst dat de vermindering van de werktijd ingaat, een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag maakt zijn beslissing op het verzoek van het personeelslid binnen acht weken na ontvangst van dit verzoek bekend aan het personeelslid.
3. De vermindering van de werktijd bedoeld in artikel 2 gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van 57, 59 onderscheidenlijk 61 is bereikt.
Deze regeling kan worden aangehaald als Seniorenbeleid Onderwijspersoneel regeling (SOP-regeling-HO).
1. Deze regeling is van toepassing op de in artikel 1, onder a, bedoelde instellingen, voorzover het bevoegd gezag van de universiteit van Amsterdam dan wel van de bijzondere universiteiten voor de desbetreffende instelling voor 1 september 1993 niet een soortgelijke regeling heeft vastgesteld.
2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van plaatsing in het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1993.
3. Deze regeling geldt tot 1 april 1995, met dien verstande dat deze regeling voor het personeelslid dat vóór deze datum van deze regeling gebruik heeft gemaakt, behoudens voorafgaand ontslag, van toepassing blijft totdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. instelling: - een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
- het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie;
- een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a en d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
- het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie;
b. personeelslid: een personeelslid in dienst van een instelling en wat betreft het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie een personeelslid in dienst van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen dat werkzaam is bij dat Rijksinstituut;
c. bevoegd gezag: het college van bestuur, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van een instelling en voor zover het betreft het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
d. salaris: het salaris dat voor een personeelslid is vastgesteld aan de hand van de voor deze geldende rechtspositieregeling;
e. volledige werktijd: een werktijd die gemiddeld acht en dertig werkuren per week omvat;
f. arbeidsduur: de betrekkingsomvang van het personeelslid, voordat deze van deze regeling gebruik maakt.
1. Tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich daartegen verzet, wordt de werktijd van het personeelslid met een volledige werktijd die daartoe een aanvraag heeft ingediend, met behoud van zijn arbeidsduur, verminderd, waarbij hij met vervallen van de overige in dit lid genoemde mogelijkheden kan kiezen tussen: a. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 32 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 24 uur per week; dan wel
b. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 20 uur per week; dan wel
c. wanneer hij 59 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week.
a. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 32 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 24 uur per week; dan wel
b. wanneer hij 57 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week en vervolgens, wanneer hij 61 jaar of ouder is tot 20 uur per week; dan wel
c. wanneer hij 59 jaar of ouder is voor een vermindering van zijn werktijd tot 24 uur per week.
2. Voor een personeelslid met een niet-volledige werktijd wordt de werktijd verminderd in verhouding tot een volledige werktijd.
3. Het in het eerste lid en tweede lid bedoelde personeelslid dient op het moment van de eerste vermindering van de werktijd tenminste vijf aaneengesloten jaren ambtenaar te zijn in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel tenminste vijf aaneengesloten jaren in dienst te zijn van de instelling.
4. Voor de uren waarmee de werktijd van het personeelslid ingevolge het eerste lid is verminderd, wordt het personeelslid geacht met verlof te zijn.
5. Een verminderde werktijd als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt bij de vaststelling van uitkeringen of toelagen op grond van andere besluiten niet aangemerkt als onvolledige werktijd.
Bij vermindering van de werktijd als bedoeld in artikel 2, wordt op het salaris van het personeelslid in de in artikel 2, eerste lid, onder a, bof c, genoemde gevallen een inhouding toegepast ter grootte van: onder a. 5%, onderscheidenlijk 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel;
onder b. 25% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel;
onder c. 10% van het salaris dat voor hem zou gelden zonder werktijdvermindering op grond van dat artikel.
Over de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van het personeelslid zijn de artikelen 7 en 8 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uitt reden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verrekening van de extra inkomsten niet kan leiden tot een lager bedrag dan het personeelslid zou verdienen, indien hij in deeltijd werkzaam zou zijn in een betrekking met een gelijke omvang.
1. Het personeelslid dat boven de volledige werktijd per week gedurende meer uren werkt en daarvoor een compensatie ontvangt door toekenning van extra vakantiedagen, is, indien voor hem een vermindering van de werktijd op grond van artikel 2 plaats vindt, gehouden dit meerdere aantal uren te blijven werken om aanspraak op deze extra vakantiedagen te kunnen blijven behouden.
2. Het personeelslid voor wie op grond van artikel 2 een vermindering van de werktijd plaatsvindt, kan met ingang van de dag waarop die vermindering ingaat, geen aanspraak meer maken op de verhoging van de aanspraak op vakantieverlof die volgens de voor hem geldende vakantieregeling afhankelijk van zijn leeftijd is vastgesteld.
3. Met ingang van de dag waarop voor het personeelslid op grond van artikel 2 een vermindering van de werktijd plaatsvindt, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
4. In afwijking van het tweede en derde lid kunnen het bevoegd gezag en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel regels overeenkomen over de aanspraken van vakantieverlof, met dien verstande dat zolang dergelijke regels nog niet zijn overeengekomen, het tweede en derde lid van toepassing zijn.
1. Het personeelslid dat van deze regeling gebruik wenst te maken, dient hiertoe tenminste acht weken voor de datum dat hij wenst dat de vermindering van de werktijd ingaat, een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag maakt zijn beslissing op het verzoek van het personeelslid binnen acht weken na ontvangst van dit verzoek bekend aan het personeelslid.
3. De vermindering van de werktijd bedoeld in artikel 2 gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van 57, 59 onderscheidenlijk 61 is bereikt.
Deze regeling kan worden aangehaald als Seniorenbeleid Onderwijspersoneel regeling (SOP-regeling-HO).
1. Deze regeling is van toepassing op de in artikel 1, onder a, bedoelde instellingen, voorzover het bevoegd gezag van de universiteit van Amsterdam dan wel van de bijzondere universiteiten voor de desbetreffende instelling voor 1 september 1993 niet een soortgelijke regeling heeft vastgesteld.
2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van plaatsing in het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 1993.
3. Deze regeling geldt tot 1 april 1995, met dien verstande dat deze regeling voor het personeelslid dat vóór deze datum van deze regeling gebruik heeft gemaakt, behoudens voorafgaand ontslag, van toepassing blijft totdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.