BWBR0007301
Geldig vanaf 1995-04-01
Artikel VII
Wijzigingsbesluit Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (6)
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. Rechtspositiebesluit: het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals dat op 30 september 1992 luidde;
b. betrokkene: een betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e, van het Rechtspositiebesluit, die in de periode van 1 januari tot en met 30 september 1992: 1. in het onderwijs benoemd is of benoemd is geweest;
2. in één van die maanden salaris heeft genoten;
3. op grond van de benoeming of een gedeelte van die benoeming niet zelfstandig verplicht verzekerd is of is geweest;
1. in het onderwijs benoemd is of benoemd is geweest;
2. in één van die maanden salaris heeft genoten;
3. op grond van de benoeming of een gedeelte van die benoeming niet zelfstandig verplicht verzekerd is of is geweest;
c. berekeningsbasis: het voor betrokkene geldende salaris bij een normbetrekking;
d. werktijdfactor: de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene is benoemd, verminderd met het deel van de betrekkingsomvang waarvoor geen bezoldiging wordt ontvangen en gedeeld door de omvang van de normbetrekking, waarbij de uitkomst, indien hoger dan 1, op 1 wordt gesteld.
2. Aan de betrokkene, wordt in één der maanden gelegen in de periode oktober tot en met december 1992 een eenmalige uitkering toegekend waarvan de hoogte per dienstverband wordt vastgesteld door:
a. de berekeningsbasis, nadat deze voor de maanden januari, februari en maart 1992 is vermenigvuldigd met 1,03, te vermenigvuldigen met 0,00942;
b. de uitkomst van de berekening onder a, doch ten hoogste f 35,92, te vermenigvuldigen met: 1. de werktijdfactor op de laatste dag van de desbetreffende maand voor de betrokkene die op de laatste dag van deze maand is benoemd;
2. de laatstbekende werktijdfactor in de desbetreffende maand, indien betrokkene niet op de laatste dag van deze maand is benoemd;
1. de werktijdfactor op de laatste dag van de desbetreffende maand voor de betrokkene die op de laatste dag van deze maand is benoemd;
2. de laatstbekende werktijdfactor in de desbetreffende maand, indien betrokkene niet op de laatste dag van deze maand is benoemd;
c. de uitkomst van de berekening onder b, te vermenigvuldigen met het aantal kalenderdagen waarvoor betrokkene in de desbetreffende maand benoemd is geweest, waarbij het aantal kalenderdagen waarover ziekenfondspremie is berekend buiten beschouwing blijft en te delen door het aantal kalenderdagen van de desbetreffende maand;
d. de, met inachtneming van het bepaalde in a tot en met c voor de maand september berekende uitkering te vermenigvuldigen met 4;
en de voor de maanden januari 1992 tot en met september 1992 vastgestelde bedragen te sommeren, waarbij de maand waarvoor de berekening onder cleidt tot de uitkomst 0, buiten beschouwing blijft.
3. De onder ben cberekende bedragen worden rekenkundig afgerond op centen.
4. De in het tweede lid bedoelde uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet en blijft buiten beschowuwing bij de toepassing van de hoofdstukken I-E, I-F, I-H, I-J, I-K, I-L en de artikelen I-P7 tot en met I-P11, I-P17 en I-P18 van het Rechtspositiebesluit.
a. Rechtspositiebesluit: het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel zoals dat op 30 september 1992 luidde;
b. betrokkene: een betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e, van het Rechtspositiebesluit, die in de periode van 1 januari tot en met 30 september 1992: 1. in het onderwijs benoemd is of benoemd is geweest;
2. in één van die maanden salaris heeft genoten;
3. op grond van de benoeming of een gedeelte van die benoeming niet zelfstandig verplicht verzekerd is of is geweest;
1. in het onderwijs benoemd is of benoemd is geweest;
2. in één van die maanden salaris heeft genoten;
3. op grond van de benoeming of een gedeelte van die benoeming niet zelfstandig verplicht verzekerd is of is geweest;
c. berekeningsbasis: het voor betrokkene geldende salaris bij een normbetrekking;
d. werktijdfactor: de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene is benoemd, verminderd met het deel van de betrekkingsomvang waarvoor geen bezoldiging wordt ontvangen en gedeeld door de omvang van de normbetrekking, waarbij de uitkomst, indien hoger dan 1, op 1 wordt gesteld.
2. Aan de betrokkene, wordt in één der maanden gelegen in de periode oktober tot en met december 1992 een eenmalige uitkering toegekend waarvan de hoogte per dienstverband wordt vastgesteld door:
a. de berekeningsbasis, nadat deze voor de maanden januari, februari en maart 1992 is vermenigvuldigd met 1,03, te vermenigvuldigen met 0,00942;
b. de uitkomst van de berekening onder a, doch ten hoogste f 35,92, te vermenigvuldigen met: 1. de werktijdfactor op de laatste dag van de desbetreffende maand voor de betrokkene die op de laatste dag van deze maand is benoemd;
2. de laatstbekende werktijdfactor in de desbetreffende maand, indien betrokkene niet op de laatste dag van deze maand is benoemd;
1. de werktijdfactor op de laatste dag van de desbetreffende maand voor de betrokkene die op de laatste dag van deze maand is benoemd;
2. de laatstbekende werktijdfactor in de desbetreffende maand, indien betrokkene niet op de laatste dag van deze maand is benoemd;
c. de uitkomst van de berekening onder b, te vermenigvuldigen met het aantal kalenderdagen waarvoor betrokkene in de desbetreffende maand benoemd is geweest, waarbij het aantal kalenderdagen waarover ziekenfondspremie is berekend buiten beschouwing blijft en te delen door het aantal kalenderdagen van de desbetreffende maand;
d. de, met inachtneming van het bepaalde in a tot en met c voor de maand september berekende uitkering te vermenigvuldigen met 4;
en de voor de maanden januari 1992 tot en met september 1992 vastgestelde bedragen te sommeren, waarbij de maand waarvoor de berekening onder cleidt tot de uitkomst 0, buiten beschouwing blijft.
3. De onder ben cberekende bedragen worden rekenkundig afgerond op centen.
4. De in het tweede lid bedoelde uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet en blijft buiten beschowuwing bij de toepassing van de hoofdstukken I-E, I-F, I-H, I-J, I-K, I-L en de artikelen I-P7 tot en met I-P11, I-P17 en I-P18 van het Rechtspositiebesluit.