BWBR0007301
Geldig vanaf 1995-04-01
Artikel IV
Wijzigingsbesluit Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (6)
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. betrokkene: 1°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar bedoeld in artikel 2, onderdeel a, dan wel werknemer bedoeld in artikel 168, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
2°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar dan wel werknemer bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 72, eerste lid, en 81, eerste lid, onderscheidenlijk de artikelen 4, eerste lid, en 82 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
3°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde personeel van de Koninklijke Bibliotheek, van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bedoeld in artikel I van het koninklijk besluit van 16 mei 1991 (Stb. 287);
4°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het college van bestuur van een rijksuniversiteit, bedoeld in artikel 47 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
5°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van de raad van bestuur van een rijksacademisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
6°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 78 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs, en van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in de artikelen 13.1 onderscheidenlijk 13.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
7°. de onder a, onder 1° en 5°, bedoelde betrokkene die op grond van hoofdstuk 19 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen aanspraak heeft op een ontslaguitkering;
8°. de onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, bedoelde betrokkene die overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1966 dan wel de Uitkeringregeling 1966 aanspraak heeft op een ontslaguitkering.
1°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar bedoeld in artikel 2, onderdeel a, dan wel werknemer bedoeld in artikel 168, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
2°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar dan wel werknemer bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 72, eerste lid, en 81, eerste lid, onderscheidenlijk de artikelen 4, eerste lid, en 82 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
3°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde personeel van de Koninklijke Bibliotheek, van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bedoeld in artikel I van het koninklijk besluit van 16 mei 1991 (Stb. 287);
4°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het college van bestuur van een rijksuniversiteit, bedoeld in artikel 47 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
5°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van de raad van bestuur van een rijksacademisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
6°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 78 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs, en van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in de artikelen 13.1 onderscheidenlijk 13.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
7°. de onder a, onder 1° en 5°, bedoelde betrokkene die op grond van hoofdstuk 19 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen aanspraak heeft op een ontslaguitkering;
8°. de onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, bedoelde betrokkene die overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1966 dan wel de Uitkeringregeling 1966 aanspraak heeft op een ontslaguitkering.
b. berekeningsbasis: 1°. voor de betrokkene, bedoeld onder a, onder 1° en 5°, het salaris, bedoeld in artikel 2, onder c, onderscheidenlijk artikel 142 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen en voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen terzake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld dan wel de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in artikel 119 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen onderscheidenlijk de Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen;
2°. voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 7° en 8°, het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregelingen over de maand september 1992 werd uitgekeerd.
1°. voor de betrokkene, bedoeld onder a, onder 1° en 5°, het salaris, bedoeld in artikel 2, onder c, onderscheidenlijk artikel 142 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen en voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen terzake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld dan wel de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in artikel 119 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen onderscheidenlijk de Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen;
2°. voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 7° en 8°, het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregelingen over de maand september 1992 werd uitgekeerd.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder a, wordt voor de toepassing van dit besluit niet als betrokkene aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerst oefening en in verband daarmee de aan zijn functie verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
1. Aan de betrokkene, genoemd in artikel 1, onder a, onder 1° tot en met 6° wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 6% van de voor hem geldende berekeningsbasis.
2. Aan de betrokkene, genoemd in artikel 1, onder a, onder 7° en 8°, wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 5, 56% van de voor hem geldende berekeningsbasis, dan wel ter grootte van 6% van de berekeningsbasis, indien daaruit het effect van de vakantie-uitkering is verwijderd.
Hij die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aan hoofdstuk 5 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen, dan wel aan daarmede overeenkomende voorzieningen in andere rechtspositieregelingen, aanspraak kan ontlenen op bezoldiging of loon, wordt voor de toepassing van dit artikel behandeld alsof hij in dienst is gebleven.
1. Onder ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, wordt niet mede verstaan de in dit besluit bedoelde eenmalige uitkering, dan wel de overeenkomstige uitkering in andere rechtspositieregelingen.
2. De in dit besluit bedoelde eenmalige uitkering wordt aangewezen als een uitkering bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet van 17 juli 1923, Stb. 364.
a. betrokkene: 1°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar bedoeld in artikel 2, onderdeel a, dan wel werknemer bedoeld in artikel 168, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
2°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar dan wel werknemer bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 72, eerste lid, en 81, eerste lid, onderscheidenlijk de artikelen 4, eerste lid, en 82 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
3°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde personeel van de Koninklijke Bibliotheek, van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bedoeld in artikel I van het koninklijk besluit van 16 mei 1991 (Stb. 287);
4°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het college van bestuur van een rijksuniversiteit, bedoeld in artikel 47 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
5°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van de raad van bestuur van een rijksacademisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
6°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 78 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs, en van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in de artikelen 13.1 onderscheidenlijk 13.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
7°. de onder a, onder 1° en 5°, bedoelde betrokkene die op grond van hoofdstuk 19 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen aanspraak heeft op een ontslaguitkering;
8°. de onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, bedoelde betrokkene die overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1966 dan wel de Uitkeringregeling 1966 aanspraak heeft op een ontslaguitkering.
1°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar bedoeld in artikel 2, onderdeel a, dan wel werknemer bedoeld in artikel 168, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
2°. de op 30 september 1992 in dienst zijnde ambtenaar dan wel werknemer bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 72, eerste lid, en 81, eerste lid, onderscheidenlijk de artikelen 4, eerste lid, en 82 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
3°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde personeel van de Koninklijke Bibliotheek, van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, bedoeld in artikel I van het koninklijk besluit van 16 mei 1991 (Stb. 287);
4°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het college van bestuur van een rijksuniversiteit, bedoeld in artikel 47 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs;
5°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van de raad van bestuur van een rijksacademisch ziekenhuis, bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen;
6°. het op 30 september 1992 in dienst zijnde lid van het algemeen bestuur van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 78 van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs, en van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en van de Koninklijke Bibliotheek, bedoeld in de artikelen 13.1 onderscheidenlijk 13.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
7°. de onder a, onder 1° en 5°, bedoelde betrokkene die op grond van hoofdstuk 19 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen aanspraak heeft op een ontslaguitkering;
8°. de onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, bedoelde betrokkene die overeenkomstig het Rijkswachtgeldbesluit 1966 dan wel de Uitkeringregeling 1966 aanspraak heeft op een ontslaguitkering.
b. berekeningsbasis: 1°. voor de betrokkene, bedoeld onder a, onder 1° en 5°, het salaris, bedoeld in artikel 2, onder c, onderscheidenlijk artikel 142 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen en voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen terzake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld dan wel de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in artikel 119 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen onderscheidenlijk de Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen;
2°. voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 7° en 8°, het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregelingen over de maand september 1992 werd uitgekeerd.
1°. voor de betrokkene, bedoeld onder a, onder 1° en 5°, het salaris, bedoeld in artikel 2, onder c, onderscheidenlijk artikel 142 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen en voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 2°, 3°, 4° en 6°, het salaris, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dat over de maand september 1992 mede met inachtneming van de bepalingen terzake van de vermindering van de bezoldiging in geval van non-activiteit, militaire dienst, buitengewoon verlof, ouderschapsverlof, ziekte of schorsing, wordt genoten, met dien verstande dat hierbij onder salaris tevens wordt verstaan het zakgeld dan wel de vergoeding bij opleidingen, als bedoeld in artikel 119 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen onderscheidenlijk de Rechtspositieregeling voor deelnemers aan opleidingen in het kader van het leerlingwezen, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt in andere rechtspositieregelingen;
2°. voor de betrokkene bedoeld onder a, onder 7° en 8°, het bedrag van het wachtgeld of de uitkering dat met inachtneming van de bepalingen van de van toepassing zijnde ontslaguitkeringsregelingen over de maand september 1992 werd uitgekeerd.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder a, wordt voor de toepassing van dit besluit niet als betrokkene aangemerkt voor de tijd dat hij ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerst oefening en in verband daarmee de aan zijn functie verbonden bezoldiging geniet tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
1. Aan de betrokkene, genoemd in artikel 1, onder a, onder 1° tot en met 6° wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 6% van de voor hem geldende berekeningsbasis.
2. Aan de betrokkene, genoemd in artikel 1, onder a, onder 7° en 8°, wordt een eenmalige uitkering verleend ter grootte van 5, 56% van de voor hem geldende berekeningsbasis, dan wel ter grootte van 6% van de berekeningsbasis, indien daaruit het effect van de vakantie-uitkering is verwijderd.
Hij die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aan hoofdstuk 5 van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen, dan wel aan daarmede overeenkomende voorzieningen in andere rechtspositieregelingen, aanspraak kan ontlenen op bezoldiging of loon, wordt voor de toepassing van dit artikel behandeld alsof hij in dienst is gebleven.
1. Onder ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, wordt niet mede verstaan de in dit besluit bedoelde eenmalige uitkering, dan wel de overeenkomstige uitkering in andere rechtspositieregelingen.
2. De in dit besluit bedoelde eenmalige uitkering wordt aangewezen als een uitkering bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet van 17 juli 1923, Stb. 364.