BWBR0007234
Geldig vanaf 1995-02-22
Artikel 3
Besluit overgangsregeling inzake voortduren opsporingsbevoegdheid buitengewone opsporingsambtenaren
1. Het bepaalde in de hoofdstukken 5en 6van het besluit is gedurende de in artikel 2genoemde termijn van toepassing.
2. Gedurende de periode dat de in artikel 2bedoelde personen nog niet beschikken over het op grond van artikel 26van het besluit vastgestelde legitimatiebewijs dragen zij een legitimatiebewijs bij zich waaruit hun functie en opsporingsbevoegdheid blijkt.
3. Voor de in artikel 2genoemde termijn is de hoofdofficier van justitie, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Politiewet 1993, van het arrondissement waarbinnen de standplaats van de in artikel 2bedoelde personen is gelegen aangewezen als toezichthouder en de korpschef, bedoeld in artikel 24 van de Politiewet 1993, van de politieregio waarbinnen die standplaats is gelegen, als direct toezichthouder.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Gedurende de periode dat de in artikel 2bedoelde personen nog niet beschikken over het op grond van artikel 26van het besluit vastgestelde legitimatiebewijs dragen zij een legitimatiebewijs bij zich waaruit hun functie en opsporingsbevoegdheid blijkt.
3. Voor de in artikel 2genoemde termijn is de hoofdofficier van justitie, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Politiewet 1993, van het arrondissement waarbinnen de standplaats van de in artikel 2bedoelde personen is gelegen aangewezen als toezichthouder en de korpschef, bedoeld in artikel 24 van de Politiewet 1993, van de politieregio waarbinnen die standplaats is gelegen, als direct toezichthouder.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.