1. Het bepaalde in de
hoofdstukken 5 en
6 van het besluit is gedurende de in artikel 2 genoemde termijn van toepassing.
2. Gedurende de periode dat de in artikel 2 bedoelde personen nog niet beschikken over het op grond van
artikel 26 van het besluit vastgestelde legitimatiebewijs dragen zij een legitimatiebewijs bij zich waaruit hun functie en opsporingsbevoegdheid blijkt.
3. Voor de in artikel 2 genoemde termijn is de hoofdofficier van justitie, bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van de Politiewet 1993, van het arrondissement waarbinnen de standplaats van de in artikel 2 bedoelde personen is gelegen aangewezen als toezichthouder en de korpschef, bedoeld in
artikel 24 van de Politiewet 1993, van de politieregio waarbinnen die standplaats is gelegen, als direct toezichthouder.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.