BWBR0007013
Geldig vanaf 1994-12-07
Artikel 26
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar
1. Bij het uitoefenen van zijn taak draagt de buitengewoon opsporingsambtenaar een legitimatiebewijs bij zich, waarvan het model door Onze Minister is vastgesteld.
2. Onze Minister kan personen of categorieën aanwijzen die bevoegd zijn een legitimatiebewijs te dragen dat afwijkt van het model, bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentredentoont de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
2. Onze Minister kan personen of categorieën aanwijzen die bevoegd zijn een legitimatiebewijs te dragen dat afwijkt van het model, bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentredentoont de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.