BWBR0007214
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 6
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen
1. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben na uitspoeling:
a. een berekende concentratie in de bovenste meter van het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a. 1., van richtlijn nr. 94/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 tot vaststelling van bijlage VI bij richtlijn nr. 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227), of
b. een gemeten concentratie in het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a. 1., van de in onderdeel a genoemde richtlijn nr. 94/43/EG.
2. Indien in de gebruiksvoorschriften wordt voorgeschreven dat het gewasbeschermingsmiddel dient te worden gebruikt te zamen met andere gewasbeschermingsmiddelen, hebben deze gewasbeschermingsmiddelen en hun omzettingsprodukten te zamen na uitspoeling:
a. een berekende concentratie van minder dan 0,5 microgram per liter in de bovenste meter van het grondwater, of
b. een gemeten concentratie van minder dan 0,5 microgram per liter in het grondwater.
3. Aan het eerste en tweede lid behoeft niet te zijn voldaan, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont dat bij een transporttijd van 4 jaar in de verzadigde fase van het grondwater op een diepte van 10 meter onder het maaiveld aan het eerste en tweede lid wordt voldaan als gevolg van:
a. hydrolyse van het gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, of
b. een ander dan het onder a bedoelde afbraakproces, dat plaatsvindt in de verzadigde fase beneden de grondwaterspiegel.
4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop:
a. de concentratie van een stof in het grondwater wordt berekend of gemeten, en
b. wordt bepaald of aan het derde lid is voldaan.
a. een berekende concentratie in de bovenste meter van het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a. 1., van richtlijn nr. 94/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 tot vaststelling van bijlage VI bij richtlijn nr. 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227), of
b. een gemeten concentratie in het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a. 1., van de in onderdeel a genoemde richtlijn nr. 94/43/EG.
2. Indien in de gebruiksvoorschriften wordt voorgeschreven dat het gewasbeschermingsmiddel dient te worden gebruikt te zamen met andere gewasbeschermingsmiddelen, hebben deze gewasbeschermingsmiddelen en hun omzettingsprodukten te zamen na uitspoeling:
a. een berekende concentratie van minder dan 0,5 microgram per liter in de bovenste meter van het grondwater, of
b. een gemeten concentratie van minder dan 0,5 microgram per liter in het grondwater.
3. Aan het eerste en tweede lid behoeft niet te zijn voldaan, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont dat bij een transporttijd van 4 jaar in de verzadigde fase van het grondwater op een diepte van 10 meter onder het maaiveld aan het eerste en tweede lid wordt voldaan als gevolg van:
a. hydrolyse van het gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, of
b. een ander dan het onder a bedoelde afbraakproces, dat plaatsvindt in de verzadigde fase beneden de grondwaterspiegel.
4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop:
a. de concentratie van een stof in het grondwater wordt berekend of gemeten, en
b. wordt bepaald of aan het derde lid is voldaan.