BWBR0007214
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 5
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen
1. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben een DT50 van minder dan 90 dagen.
2. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten vormen, bij laboratoriumproeven, geen grondgebonden residuen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en hebben geen mineralisatiesnelheid lager dan 5% binnen 100 dagen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont:
a. dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem dan wel op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten, en
b. dat de som van de concentraties waarin het middel en zijn omzettingsprodukten ontstaan, niet zodanig is dat het MTR voor bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van deze bodemorganismen wordt overschreden twee jaar na het tijdstip waarop het middel voor het laatst is gebruikt, in de bovenste 20 cm van de bodem op de plaats waar het middel is gebruikt.
4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop:
a. de DT50 wordt vastgesteld;
b. het percentage van het grondgebonden residu alsmede de mineralisatiesnelheid worden vastgesteld;
c. de concentraties van een middel onderscheidenlijk zijn omzettingsprodukten worden berekend;
d. het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald;
e. de overeenkomstig de krachtens onderdeel c gestelde regels berekende concentratie wordt getoetst aan het overeenkomstig de krachtens onderdeel d gestelde regels berekende MTR;
f. wordt bepaald of voldaan is aan de eis dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem;
g. wordt bepaald of voldaan is aan de eis dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten.
2. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten vormen, bij laboratoriumproeven, geen grondgebonden residuen in hoeveelheden groter dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en hebben geen mineralisatiesnelheid lager dan 5% binnen 100 dagen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont:
a. dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem dan wel op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten, en
b. dat de som van de concentraties waarin het middel en zijn omzettingsprodukten ontstaan, niet zodanig is dat het MTR voor bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van deze bodemorganismen wordt overschreden twee jaar na het tijdstip waarop het middel voor het laatst is gebruikt, in de bovenste 20 cm van de bodem op de plaats waar het middel is gebruikt.
4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop:
a. de DT50 wordt vastgesteld;
b. het percentage van het grondgebonden residu alsmede de mineralisatiesnelheid worden vastgesteld;
c. de concentraties van een middel onderscheidenlijk zijn omzettingsprodukten worden berekend;
d. het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald;
e. de overeenkomstig de krachtens onderdeel c gestelde regels berekende concentratie wordt getoetst aan het overeenkomstig de krachtens onderdeel d gestelde regels berekende MTR;
f. wordt bepaald of voldaan is aan de eis dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem;
g. wordt bepaald of voldaan is aan de eis dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten.